Teveel water kan je meestal wel verhelpen met draineren, slootjes, zouwen, afwatering.

Te weinig is zeker zo funest voor land- en tuinbouw. Maar ook daarvoor bedachten inventieve voorouders al eeuwen geleden overal ter wereld bruikbare oplossingen. Een vijver(tje) op het laagste punt is zeker een goed idee om regenwater te verzamelen en op te slaan. Ook bij watermolens werden grachten en plassen gegraven om voldoende voorraad te bufferen om te malen. Waterplanten en struiken op de oevers kunnen zorgen voor schaduw en het verdampen vertragen.

In het Midden Oosten en rond de Middellandse Zee worden al 7.000 jaar waterkelders of citernes gebruikt. Ook kastelen boven op een rots gebruikten deze methode (om zelfs bij belegering toch voorraad te hebben). Dat zijn klussen om met een hele gemeenschap samen aan te werken. Zelfs de Romeinse aquaducten en de Iraanse qanats bufferden vaak water in dergelijke reservoirs. Ook in de Lage Landen werden waterkelders aangelegd, vaak bij kerken die een groot dakoppervlak hadden om regen te verzamelen. Voor een gezin kan een (regen)waterput volstaan. Tegenwoordig wordt ook veel gebruik gemaakt van tonnen die in cascade geschakeld staan.

In Spanje (Andalusië) wordt al 2.000 jaar de aljibe gebruikt. Geulen in de helling leiden het regenwater naar een put die tegen verdamping, vervuiling en dieren (vee) wordt afgeschermd met een huisje. (In Iran werd de āb anbār gebruikt.)

Terrassenbouw is van Peru tot China gekend. Om het afstromen van water en grond tegen te gaan worden er vlakke bedden in de helling gemaakt, met soms enorme trappen als resultaat. Ruggen of muurtjes volgen de steilte in het landschap. In de moderne landbouw wordt op een vergelijkbare manier aan contourploegen gedaan om erosie te beperken. In Limburg (Ne en Be) zijn in heuvelachtig landschap nog restanten te vinden van graften die dezelfde functie hadden.

In Kenya zijn er projecten die op een gelijkaardige manier droge gronden vruchtbaar maken.  Justdiggit is een project waarbij gemeenschappen  (1.000-den!) gaten in hellingen graven om afstromend regenwater op te vangen. Zo kan het ter plaatse infiltreren, en worden ganse regio’s vergroend. Vul de gaten met organisch materiaal (compost) en we herkennen hierin ook weer de zaï-techniek.

vloeiweideIn onze regio werden vloeiweiden gemaakt. Door beken gevoede grachten met evenwijdige zijwaartse aftakkingen werden gebruikt om voedselrijk  (ook vaak kalkrijk, voor hooiland) water naar armere gebieden te leiden. Een systeem van schotten aan de zijkanalen zorgde ervoor dat ieder terrein beurtelings kreeg waar het recht op had. In veel landschappen zijn de (vaak tientallen) parallelle grachten nog te herkennen. Vaak ging het om gemene (gemeenschappelijke, commons) beemden die door een gemeentelijke verantwoordelijke werden bediend.

Drijvende tuinen

In plaats van water naar de tuin, kan je ook de tuin naar het water brengen.

Al in de precolumbiaanse tijd vlochten de Azteken rechthoekige vlotten van riet en vulden die met slib. De Chinampa’s (drijvende tuinen) zijn één van de meest intensieve en productieve landbouwsystemen die ooit zijn ontwikkeld. Ze werden verankerd door wilgen te planten die wortel schoten in de drassige bodem van het meer.

In Bangladesh heeft men de eeuwenoude techniek van tuinieren op water hervat. De vlotten worden gemaakt van bamboestokken en (2 lagen) water zuiverende waterhyacint (Eichhornia crassipes) die slib in de wortels vasthouden en een aardelaag vormen. Bovenop komen koeienmest, slib en compost voor de tuin.

Ook op het Inlemeer in Myanmar, het Dalmeer in India en op het Zon-Maanmeer in Taiwan zijn er drijvende tuinen.

Moderne hippies hebben o.m. in Nederland en Duitsland eilanden gemaakt van piepschuim, ook van plastieken flessen. Het leek ooit een goed idee, maar ik gruw van die kunststoffen in onze omgeving en voeding. Laat maar!

Wolkenmelkers en nevelvangers kunnen ook water oogsten uit lucht.