Begrippen aangaande grondstructuur 

Een aggregaat is een opeenhoping, cluster of kluwen van aaneengekleefde gronddeeltjes die een kruimelstructuur vormen in de bovenste laag of bouwvoor, waarin de meeste wortelvorming en gewasverbouwing gebeurt. Tussen de vrij los van elkaar liggende aggregaten zitten poriën die lucht en water bevatten en doorlaten.

De ontwikkeling van aggregaten hangt af van organisch materiaal en kitstoffen van bodemorganismen als bacteriën die allerlei stoffen uitscheiden.

De aggregaat stabiliteit is het percentage aggregaten dat overblijft na onderwerping aan de natte zeefmethode of mini regenvalsimulator.

Bij verslemping (versmering  verdichting, dichtslaan van de bodem) scheiden de gronddeeltjes zich en verstoppen de poriën in de grond. Verslemping wordt weergegeven met een cijfer tussen 1 en 10 waarbij een waardering van 6 of hoger amper verslempt. De slempgevoeligheid is het grootst bij lutumpercentages van 8 - 17% (lichte klei).

Verdichting door zware machines kan tot een diepte van meer dan 60 cm onder het maaiveldniveau optreden. De dichtheid is de massa per eenheid van volume (kg/l of ton/m³). De vaste stof dichtheid is gewogen exclusief de poriën, de korreldichtheid is de korrel met de poriën erin, en de bulkdichtheid is het (monster)materiaal inclusief holle ruimtes tussen de korrels.

De bulkdichtheid is een indicatie voor het aantal poriën in de bodem en dus  ook voor de graad van verdichting. Die leidt tot afname van zuurstof en bodemleven, en slechte doorwortelbaarheid en ontwatering met toenemende schade aan bodem en planten en kans op wateroverlast. Bij zandgronden is sprake van bodemverdichting als de bulkdichtheid hoger is dan 1,6 gr/cm³. Bij kleigronden is de normwaarde > 1,75 – 0,0009*(% lutum) gr/cm³.

Humus verbetert de structuur doordat het de gronddeeltjes aan elkaar bindt (maar niet zo sterk dat er kluiten ontstaan), en doordat het vocht goed kan vasthouden. Bij voldoende organische stof in de bodem komt verslemping minder vaak voor.