Bij veel planten is de daglengte bepalend voor bloei en zaadvorming (niet bij bonen en erwten).
Zowat 95% van de zaden moet rijp en droog geoogst worden.
Selecteer uit de gezondste planten de plant met de meeste wenselijke eigenschappen (vroeg of laat bloeien,..).
Kies niet 1 maar meerdere planten of bloemstengels waar je zaden van kunt oogsten.

zaadverzamelenOm hun zaden zo ver mogelijk te verspreiden zullen veel planten een zo lang mogelijke stengel maken met bovenaan de bloemen en zaden. In de tuin noemen we dat doorschieten. Tweejarige planten doen dit pas in hun tweede levensjaar.

Voorbeeld voor sla. De krop groeit hoger omhoog en er schiet een lange stengel door die gaat bloeien. Het zaad is rijp als de pluisjes volledig open staan. Je ziet dan een crémewit of donkerbruin ovaal zaadje aan het pluisje zitten. Die zullen loslaten en wegvliegen. Je kan ze afschudden, of er een opvangzakje rond binden. Je kan ook als de helft van de zaden rijp is de plant voorzichtig rooien en in de kas uit de wind zetten. Wel water blijven geven. In haar overlevingsdrang zal ze snel(ler) alle zaden afrijpen. Zo zijn meer zaden gelijk rijp en sneller, makkelijker en samen te oogsten. Veel planten die hun einde voelen aankomen proberen nog snel voor nakomelingen te zorgen.

Selecteren doe je doordacht. Als je de eerste sla die doorschiet laat staan als zaaddrager dan wordt een eigenschap van onkruidplanten om snel zaad te vormen weerhouden. Je selecteert dan op snel doorschietende sla!

‘Toen ik de prijs van de sla zag, kreeg ik een krop in de keel.’


Goede tomatenzaden zitten in een sappige rijpe tomaat. Paprikazaden zitten in een lekker rijpe paprika (groen is altijd onrijp, dus daar oogst je nooit bruikbare zaden uit!).

Laat zaadjes rustig (en niet te hard) in de schaduw drogen, waar ze niet kunnen wegwaaien. Zorg voor duidelijke labels. Aan het zaad kan je niet altijd (precies) zien van welke plant of soort het is.

Het graszaad mengsel dat je op de hooizolder kan samen vegen kan je gebruiken om (stukken) grasland (bij) in te zaaien.

Een eenjarige plant voltooit zijn levenscyclus van kieming tot zaad binnen één jaar. Voorbeelden zijn zomertarwe en hennep. Je moet ze dus jaarlijks opnieuw zaaien.
Tweejarige planten zijn monocarpisch, wat wil zeggen dat ze slechts één keer bloeien en vrucht dragen. In het eerste jaar groeien stengel, bladeren en wortels. In het tweede jaar bloeit de plant en produceert zaad, hierna sterft de plant af. Rooi die zaadplanten dus niet na 1 jaar.
Tweejarigen (prei, meekrap..) worden gewoonlijk aan het eind van het voorjaar of in het begin van de zomer gezaaid, daarna verspeend en in de herfst uitgeplant. Ze bloeien dan in het volgende jaar.

Daarnaast zijn er ook doorlevende of vaste planten.