Om vuur te maken heb je in een geschikte verhouding 3 dingen nodig: zuurstof, warmte, brandstof.
vuurdriekhoekEenmaal het branden (snelle oxidatie) bezig is, zal het vuur de omliggende materie verhitten en vergassen. Deze gassen houden het vuur brandend.
Ook om het vuur aan te houden heb je die drie factoren nodig. Eén blok zal moeilijk aanblijven, twee of meer blokken houden elkaar beter brandend.
Kleine fragmenten branden beter omdat de lucht (zuurstof) er beter bij kan. Blazen, waaien, een blaasbalg kunnen daar ook bij helpen.

Om een vuur aan te maken zijn de kleinste deeltjes die veel luchtcirculatie toelaten het meest geschikt. Als je met veel moeite een vonkje kan maken is het ontzettend belangrijk om goeie tondel te hebben. Je kan het je niet veroorloven om te klooien met vochtige of te dikke splinters. Het is verstandig wat droge tondel in voorraad te hebben. Je kan vochtig hout splijten, de binnenkant is vaak uiteraard veel droger dan de buitenkant.

Het vuur moet je ook voorzichtig opbouwen. Zeer klein materiaal van onder, en steeds groter naar boven, zonder dat het grotere het kleine kan verstikken. Maak er een kleine piramide van. Hard hout brandt langer en trager dan zachter hout.

Een vloeistof op zich brandt niet. Een warmtebron zorgt ervoor dat in vloeistoffen en vaste stoffen gassen vrijkomen. Die ontvlammen en branden wel als er een bepaalde energie (ontsteking) aan toegevoegd wordt. De laagste temperatuur waarbij dergelijke ontsteekbare gassen vrijkomen is het vlampunt (ontvlammingstemperatuur).

methaan

- 188° C

alcohol

+12° C

(methanol: 11° C)

ether

- 45° C

white spirit

+ 35° C

benzine

- 23° C

diesel

+ 50° C


De temperatuur waarop het product spontaan zal ontbranden wordt de ontstekingstemperatuur of zelfontbrandingstemperatuur genoemd. Dit is vb. voor frietvet vanaf 280°C. (Diverse bronnen geven afwijkende waarden!)

Luciferkop

80

Butaan

287

Hooi

85 - 100

Houtskool

300

Krantenpapier

175

Kurk

300-320

Plastic

200-300

Petroleum

355

Kool

240-280

Schrijfpapier

360

Stro

250-300

Suiker

410

Terpentine

255

Benzine

420

Diesel

270

Katoen

450

Hout

280-340

Methaan

537

 

Een compact (en koel) volume van een stof zal moeilijker vlam vatten dan kleine partikels (als vezels, of nevels). Fijn stof (hout, kool…) kan zelfs zeer explosief zijn.

Gebruik nooit stenen uit het water of leistenen om je vuur af te bakenen. Het vocht in die stenen kan bij verhitting sneller uitzetten dan de steen zelf, en de steen doen exploderen.

Vuur doven

Om een vuur te doven kan je –indien mogelijk- de elementen die je nodig had om het aan te maken, wegnemen: brandstof, hitte en/of zuurstof.

Brandstof wegnemen kan door alle brandbare dingen in de buurt weg te harken, zodat je het vuur kan laten uitbranden. Of door de gaskraan dicht te draaien.
Of door de vuurhaard (ketel, strobaal) weg te trekken en elders gecontroleerd te doven of te laten uitbranden.
Bij een terreinbrand in een open vlakte kan je ook een veilige vluchthaven maken door (met de wind mee, afstand afhankelijk van de windsnelheid) een tweede brandje te maken. Dat verbruikt dan alle brandstof. Als de eerste brand nadert, is er daarvoor dus plaatselijk geen voedsel meer, en heb je een brandluwe zone.

Zuurstof wegnemen kan door een branddeken of natte doek als afdekking te gebruiken. Of door een vlamdover, een omgekeerd blik, over de tuinkaars te zetten. Als de zuurstof op is, gaat de vlam uit. Daarvoor moet de dichting niet eens 100% zijn. Bij een zuurstofgehalte in de lucht =< 14% doven de meeste vlammen. Of door zand, schuim, stoom… over het vuur te verspreiden.
Water koelt en sluit (tijdelijk) af van zuurstof.
Blazen doe je om een vuur aan te maken en van extra zuurstof te voorzien, niet om het uit te blazen!