De ree (Capreolus capreolus) is een vrij veel voorkomende kleine hertachtige met een schofthoogte van 63 tot 67 centimeter. De kop-romplengte is 95 tot 140 centimeter, ze wegen 16 tot 35 kilogram.

reeZe hebben een zandgele tot roodbruine zomervacht, 's winters is die donkerder en grijs. Volwassen dieren hebben geen stippen. Ze hebben een witte tot gelige rompvlek en een cirkelvormige witte vlek op hun achterste: de spiegel.
De neus is zwart, en de kin is wit.

De ree wordt maximaal twintig jaar, maar in het wild meestal slechts zeven of acht jaar oud.

De reebok is iets groter dan de geit en heeft een eenvoudig gewei, maximaal 25 centimeter met hoogstens drie punten, nooit meer dan 2 zijtakken per stang. (Bij herten spreken we van bok en hinde.)
Het gewei bestaat niet uit hoorn maar uit massief been. Het wordt ieder jaar in de winter opnieuw gevormd en is dan bedekt door een zachte behaarde huid (bast).
De basthuid wordt aan takken afgeschuurd tussen maart en juni.
De oudere bokken doen dit vroeger (februari/begin maart), de jongere bokken later.
Tussen oktober en januari wordt het gewei afgeworpen.

De ree is een selectieve planteneter. Tussen eten en herkauwen zit meestal één (in de zomer) tot twee uur (in de winter). De knabbelaar eet vooral de licht verteerbare en meest voedzame groeipunten van bramen, scheuten, bessen, twijgen, knoppen en loten van struiken en bomen, kruiden, grassen, bladeren, noten, paddenstoelen, granen, landbouwgewassen enz..
In de herfst eten ze ook eikels.
In de winter gebruikt hij 30-40% minder voedsel, vooral knoppen en twijgen. Het aantal foerageerperioden is dan gehalveerd en ze zijn aanzienlijk minder actief.

Reeën leven over het algemeen solitair.
's Winters kan er kuddevorming zijn, met wintersprongen van 3 tot 8 stuks.
De ree is in de schemering actief, en van september tot april voornamelijk 's nachts.
Ze loopt snel maar heeft weinig uithoudingsvermogen. Ze springen en zwemmen goed.

Als enige evenhoevige heeft de ree een verlengde draagtijd. Bronsttijd en paring zijn in juli en augustus, maar pas eind december, na 150 dagen, komt het embryo tot ontwikkeling. Nog zo'n 144 dagen later wordt eind mei, begin juni het kalf geboren.
Geiten die in de zomer niet drachtig waren worden in oktober een tweede keer bronstig. Zij hebben dan geen verlengde draagtijd, hun kalveren worden dus rond dezelfde tijd geworpen.

Driekwart van alle worpen zijn tweelingen. Het jong weegt bij de geboorte 1,3 tot 2,3 kilogram en heeft een bruinig zwarte vacht met rijen witte vlekken op de rug en de flanken. Op de bovenlip zie je een zwarte snor. Na zes weken vervagen de vlekken, in oktober zijn ze weg.
De zoogtijd duurt zes tot tien weken. Jonge kalveren worden zo'n zes tot tien keer per dag enkele minuten gezoogd, oudere kalveren slechts twee tot drie keer per dag. De rest van de tijd zijn de kalveren alleen, maar niet verlaten. De reegeit blijft altijd in de buurt. Tweelingen worden apart van elkaar gezoogd, zo'n twintig meter uit elkaar.
Reekalfjes blijven de eerste 10 dagen in dekking en verplaatsen zich bijna niet.
De natuurlijke vijanden zijn loslopende honden, de vos en het everzwijn. Minder natuurlijke: mensen, verkeer, bebouwing…

De slaapplaats is een kleine, vage kuil, een woelplaats.
De ree maakt gebruik van wissels: regelmatig of veelvuldig belopen paadjes.
De hoefafdrukken van de ree zijn 3-4 cm breed, de lengte is 4,5 cm of meer. Inclusief de bijhoeven
 zijn de prenten tot 7 cm lang. De afstand tussen afdrukken kan tot 140 cm zijn als de ree in draf loopt.


Het verschil tussen een ree en een hert

Er zijn veertig soorten, 16 geslachten en vier onderfamilies herten.
De mannetjes dragen een gewei dat ze jaarlijks afwerpen. Een nieuw gewei wordt meestal groter en complexer dan het vorige. Er is geen vast verband tussen leeftijd en gewei.

In de Benelux komen het edelhert (grootste, tot 250 kg en 140 cm schofthoogte), het damhert (zeldzaam, tot 130 kg) en de ree (kleinste, tot 30 kg en 67 cm schofthoogte) voor. Edelherten en damherten leven vaak in groep.

Na het afschuren van het gewei is het gelige wit van bot te zien. Bij reeën wordt het gewei donkerder, bij edelherten blijven de punten wit.
Kenners herkennen een hert aan het gewei, zelfs na wisseling(en). Aan de geweivorm zien ze ook de herkomst (land(streek)).

Het gewei  van het edelhert staat rechtop en vertakt zich enkelvoudig.
Naar het aantal vertakkingen spreken we van een 1: edelhert, 2: spieshert, 4: gaffelhert. 6: zesender, 8: achtender, 10: tienender.
Een damhert heeft tot 6 vertakkingen, waarvan de laatste twee bladvormig zijn.
De reebok heeft een eenvoudig gewei van ongeveer 25cm met maximaal 3 takken per stang.

De staart van de ree is zeer klein en valt alleen op als een ree zijn behoefte doet.


Verschil tussen hoorn en gewei

gewei en hoorn kEen gewei zijn 2 voorhoofdsbeenderen van manlijke herten. (Alleen bij het rendier heeft een vrouwtje ook een gewei.) Het gewei bestaat uit vertakt, kaal bot. Het voelt koud aan en is levenloos. Het wordt ieder jaar opnieuw gevormd.
Gewei kan na verhitten (koken, stomen) vervormd worden. Gewei is minder breekbaar dan bot.


Hoorn is het harde materiaal van hoeven, snavels, nagels en de buitenkant van hoorns. Het bestaat hoofdzakelijk uit het taaie, onoplosbare eiwit keratine (haar).
Een `hoorn` bestaat uit een levende beenpit met er omheen lederhuid en opperhuid met een dode hoornlaag of samengeperst haar. De holten in de beenpit staan in verbinding met de neusholten.
Hoorns zijn puntig en kunnen recht, gebogen of gedraaid; glad of met ribbels zijn. Ze zijn blijvend, en niet vertakt.

De hoorn van de neushoorn is puur keratine. Ook de giraf heeft een wat afwijkende vorm.
De `hoorn` van een narwal is een slagtand.