Ganzen zijn grote watervogels met een middellange hals, te situeren tussen eend en zwaan. Ze leven in groepen (een toom) (familie Anatidae, onderfamilie Anserinae (zwanen en ganzen). In Europa leven twee geslachten: Anser (Grijze ganzen) en Branta (Zwart-witte ganzen).

gansZe zwemmen en baden graag, maar zijn gespecialiseerd in grazen en leven meer op het land. Daarvoor hebben ze sterke, vrij lange poten, en kunnen ze goed lopen.
Ganzen grazen. Verder eten ze wortels en waterplanten. In de winter zoeken ze graan, aardappels, knollen, peen op akkers en stoppelvelden. Na het eten vliegen ze naar een plas om te gaan slapen.

Ganzen kunnen tot 30 jaar oud worden, ze zijn pas vruchtbaar vanaf hun 3e levensjaar. Mannetje en vrouwtje zien er vrijwel hetzelfde uit. Het vrouwtje is kleiner en heeft een grotere hangbuik (onderaan de gans) dan de ganzerik of gent.
Ganzen zijn monogaam: paren blijven hun hele leven samen. Als één sterft, blijft de andere meestal alleen.

Wilde ganzen zijn trekvogels. Ze broeden in het hoge noorden (Scandinavie en Siberië). In de herfst, voor de barre poolwinter begint, vliegen ze duizenden kilometers naar het zuiden, vaak tot de Middellandse Zee.
Soms komen ze alleen eten en uitrusten. Een miljoen ganzen blijft hier overwinteren. In februari, maart en april vliegen ze weer terug.
Ze vliegen vaak in V-formatie. Die voorop vliegt moet het hardste werken, dus wisselen ze af om energie te besparen. De ganzen die volgen maken gebruik van de lift die volgt uit de vleugelslag van de voorganger.
Als een gans ziek of gewond is zullen twee ganzen bij de zieke blijven tot ze hersteld of overleden is. Samen zullen de ganzen trachten hun groep in te halen.
We zien in onze streken kolganzen, rietganzen, kleine rietganzen, rotganzen, brandganzen en toendrarietganzen.
Grauwe ganzen, Canadese ganzen en de nijlgans zijn hier broedvogel.

Grauwe ganzen broeden liefst in moerassen en bij meren. Het vrouwtje maakt van takjes, gras, blaadjes en dons een nest op de grond. Ze legt 3 tot 8 eieren. Het vrouwtje broedt en het mannetje houdt de wacht. Na vier weken komen de kuikens uit. Al na enkele dagen verlaten ze het nest om voedsel te zoeken. De moeder zorgt twee maanden voor haar jongen.

Ganzen verliezen hun slagpennen allemaal tegelijk. Ze kunnen dan een paar weken niet vliegen.
De rui valt meestal samen met de periode waarin de jongen zich in het nest bevinden.

Bij een toom staan altijd een paar ganzen op de uitkijk. De anderen kunnen dan rustig grazen. Bij gevaar waarschuwen de wachters met hun gegak. De Romeinen gebruikten ze ook reeds als alarminstallatie.
Vossen, egels, verwilderde katten, eksters, kraaien en Vlaamse gaaien zijn dol op eieren en kuikens. Ratten roven zelfs wel eens eieren onder een broedende gans vandaan!

Vroeger werd er geschreven met ganzenveren, die in een inktpot gedoopt werden.
Ook om pijlen mee te bevederen werden pennen gebruikt. En het dons dient voor dekbedden.


Voor lokken, vangen en jacht: zie eenden (identiek).
Er bestaan voor alle soorten lokfluitjes.

Waarom vliegen trekvogels naar het zuiden?
Omdat lopen te lang duurt.
Net mijn eerste gans geschoten.
Iedereen stond te bibberen in de diepvriesafdeling.