De (Europese of vis) otter (Lutra lutra) is een marterachtige visjager met donkere, bruine, waterdichte en sneldrogende dekharen die de isolerende, luchthoudende binnenste laag van dicht opeengeplante donsharen ook onder water droog houden.
Mannetjes meten 60 tot 90 centimeter met een staart van 36 tot 47 centimeter en een gewicht van 6 tot 17 kilogram. De schouderhoogte is gemiddeld 30 centimeter. Vrouwtjes zijn kleiner en lichter.

otterDe lange, ovaalronde en krachtige, spits toelopende staart dienst als stabilisator en roer tijdens het zwemmen.
De otter heeft zwemvliezen tussen de vijf tenen. (Een hondenspoor heeft maar vier tenen.)
De ogen en de kleine afsluitbare oren en neusgaten liggen op één lijn waardoor ze bij het zwemmen net boven water blijven.

Otters zijn zeer schuw, solitair en vooral 's nachts actief. Zij leven in zoetwatergebieden met veel dekking, bij rivieren, meren, kanalen, beken en moerassen.
Het territorium van een ottermannetje moet minstens 16 kilometer schone en ongestoorde oeverkanten omvatten. Het wordt regelmatig afgebakend met kleine hoopjes ontlasting.
Hij gebruikt meerdere vaste rustplaatsen en holen, onder boomwortels, of oude holen van o.a. muskusratten of konijnen, bevers. De otter houdt geen winterslaap.

De otter verlaat het water altijd op vaste plaatsen.
Bij die platgelopen ottergang zijn meestal uitwerpselen te vinden met daarin visschubben en graten. Deze ‘spraints’ zijn meestal 10 tot 15 mm dik en 2 tot 10 cm lang.

Schuin aflopende gladde leem- of ijshellinkjes gebruiken ze graag, speels en veelvuldig als glijbaan.
Hij staat vaak op de achterpoten, met de staart als steuntje, op de uitkijk.

Tijdens het foerageren kunnen ze 3 tot 10 kilometer afleggen en 7 tot 8 uur achter elkaar zwemmen, met een gemiddelde snelheid van 1,5 tot 2 kilometer per uur.
Otters duiken gemiddeld tien tot veertig seconden onder water, maar kunnen tot 4 minuten onder blijven. Ze kunnen minstens 400 meter onder water zwemmen met snelheden tot  11 à 14 km per uur.

De otter eet hoofdzakelijk vis, maar ook andere waterdieren: amfibieën, watervogels, woelratten, ratten, rivierkreeften, krabben, wormen, insecten.
Een volwassen otter eet per dag ongeveer 20% van zijn lichaamsgewicht.
In troebel water gebruikt de otter zijn 17 tot 18 mm lange snorharen, waarmee hij de bewegingen van vissen in het water kan voelen.
Kleine vissen eet hij meestal in het water op. Hij ligt dan op zijn rug en houdt de prooi met beide voorpoten vast. Grote prooien sleept hij eerst aan land om ze daar op te eten.

Na een draagtijd van 61 tot 63 dagen krijgt de moeder die alleen voor de jongen zorgt in de lente of de zomer 2 à 3 kleintjes. In het wild worden ze 3 tot 4 jaar, in gevangenschap tot 15 jaar oud.

Otters werden als schadelijk wild gezien. De overheid betaalde premies voor gedode otters, in Nederland tot 1942, in België tot 1965. Als visconcurrent en voor zijn pels werd hij bejaagd.
Stookolie en detergent ontneemt de vacht zijn waterdichtheid, waardoor de dieren van koude kunnen sterven.
Verkeer, visnetten, habitatverstoring en voedselgebrek eisten hun tol.
Meststoffen en bestrijdingsmiddelen gaven de doodsteek. Zij stapelen zich op in waterleven, vissen en cumuleren uiteindelijk in de otter. Waardoor hij in Nederland en Vlaanderen als uitgestorven beschouwd wordt.
Misschien krijgt hij nog een kleine, nieuwe kans door herintroductie en migratie (uit Wallonië en Duitsland)?

Vroeger werden gedresseerde exemplaren bij de visvangst gebruikt (tegenwoordig nog in China).
Otters worden gauw tam en kunnen als een jachthond vissen en watervogels vangen en ze naar hun baas brengen.

Voorjaar 2012: na 20 jaar is er voor het eerst weer een otter gespot in Vlaanderen (Willebroek). Daarna ook nog in Ranst (Antwerpen) en Bocholt (Limburg). In 2014 werd in natuurgebied 'Tafelbos' in Lubbeek met een wildcamera een otter gefilmd aan de Vosselbeek (Vlaams-Brabant).

De otter werd eind jaren tachtig officieel uitgestorven verklaard in de Lage Landen. Najaar 2017 werd voor het eerste opnieuw een broedplaats ontdekt in de noordelijke Scheldevallei op ca. 20 km van Zeeuws-Vlaanderen (vlgs het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO)).