Om geschikte grassoorten te vinden voor je weiland kan je een bodemanalyse maken op basis van de er groeiende planten als bio-indicator. Je kan op omliggende en onbewerkte percelen streekeigen soorten ontdekken. En afhankelijk van hoe nat of droog, luchtig of vastgelopen je grond is kan je grassen zoeken in een gelijkaardige omgeving. Zelfs op intensief belopen of bereden landwegjes groeien nog stevige, hardnekkige grassen.

Types-of-Grassn de handel vind je meestal grasmengsels met wisselende percentages van Engels raaigras, Timothee, Beemdlangbloem, Veldbeemdgras en Witte klaver. Eventueel ook Italiaans raaigras en kruiden. De samenstelling werd gemaakt op basis van de functie: inkuilen, hooien en/of begrazen; de planning: jaarlijks te vernieuwen of meerjarig en de dieren: schapen, paarden, runderen.

Door een hoog suikergehalte bewaart ingekuild gras beter. Suikers worden overdag onder invloed van de zon aangemaakt, en ’s nachts verbruikt. Het gehalte varieert van 50 tot 200 gram /kg drogestof, en is dus het hoogst in de late namiddag. Meteen het beste tijdstip dus om te maaien. Je voelt dan ook dat het gras meer aan je vingers plakt.
Gras maakt onder invloed van zonlicht fructaan, een in water oplosbaar suiker, nodig voor de groei en nuttig voor het conserveringsproces bij het inkuilen. Een overschot aan fructaan wordt opgeslagen in de plant. Dit gebeurt vooral bij lage temperatuur, als er niet voldoende vocht of te weinig voedingsstoffen zijn.
Als een paard teveel fructaan binnen krijgt, kan dit leiden tot hoefbevangenheid.
Omdat paarden het gras zo kort afeten moet je voor hun weide grassen kiezen met een laag groeipunt (apex). Als de groeipunt wordt opgegeten, stopt de groei van het gras.  Als ik zie met hoe weinig ruimte paarden en pony’s het moeten doen begrijp ik best dat ze het gras heel kort afbijten.

Grassen voor rundvee hebben een wat hoger groeipunt.

Standvastigheid is de mate waarin een gras zijn oorspronkelijke zodedichtheid kan behouden in de concurrentie met andere soorten.

Droogtetolerantie is de mate waarin een ras zijn zodedichtheid behoudt tijdens en na een droogteperiode.
Schaduwtolerantie en wintervastheid spreken voor zich, net als kiemsnelheid, resistentie (tegen ziekten) en tolerantie tegen kort maaien.

Grasrassen hebben allemaal nog onderrassen en tussentypen, vroege en late soorten. Over enkele veel gebruikte soorten in mengsels die in de handel voorkomen is er wat informatie te vinden. Maar die is er meestal op gericht het product aan te prijzen. Botanische gidsen kunnen je verder helpen bij het zoeken naar soorten die gedijen op de grond in je regio.


Engels raaigras (Lolium perenne) is een dichte zoden-vormende stevige en productieve soort, bestand tegen betreding en met een hoge voederwaarde. Er zijn vele verschillende types. Het groeit goed op kleigrond en op vochthoudende voedselrijke zandgrond en veen. Je vindt het in bemest weiland, gazons, omgewerkte grond, bermen, voetpaden en parkeerplaatsen, langs wegen, onder parkbomen. Het is niet droogteresistent, mag niet te nat staan en kan lijden onder vorstschade.
Het fructaangehalte tot 11,2% is extreem hoog.

Italiaans raaigras (Lolium multiflorum) wordt 30-120 cm hoog en vormt een minder dichte zode dan Engels raaigras. Het is na het eerste jaar niet meer wintervast. Het wordt vaak gebruikt voor groenbemester en hooi, en kan klaver en kweek (Elytrigia) verstikken.

Kropaar (Dactylis glomerata) kan tegen schaduw in boomgaarden. Het gedijt op zonnige tot licht beschaduwde plekken op matig droge tot vochtige, voedselrijke, meestal bemeste, zwak zure tot iets kalkhoudende grond. Je vindt het dus ook op bermen, dijken, verruigde grasvelden, braakland, ruigten, heggen, bosranden, bossen en duinen. Het is droogtegevoelig en heeft een laag fructaangehalte, tot 6,2%.

Timotheegras (Phleum pratense) wordt soms als smakelijk omschreven. Ik vraag me af wie dat geproefd heeft. Het groeit op zonnige plaatsen op vochtige, voedselrijke, meestal bemeste grond als grasland, bermen, weilanden en dijken. Het kan minder goed tegen droogte. Het is al vroeg te beweiden en te maaien. Veel gebruikt in klassiek hooiland. Het fructaangehalte is gering, tot 5%. Timothee is herkenbaar door de cilindrische aarpluim met vorkachtige stekeltjes. Het is zeer winterhard, maar geen goede zodevormer.

Veldbeemdgras (Poa pratensis) wordt veel gebruikt voor gazon- en sportvelden. De ondergrondse uitlopers vormen een stevige mat (het “betonijzer” van de grasmat), ook voor sport en recreatie. Door dit vlechtwerk in het grassentapijt kan het betreden goed verdragen. De dichte zoden gedijen zowel op droge als natte en zilte grond, op zonnige plaatsen, matig voedselrijke en zwak zure tot kalkhoudende grond.
Kijk maar in duingrasland, tussen bestrating, muren en stoepranden, bossen en struikgewas.
Het fructaangehalte is middelmatig, tot 8,2%.

Ruwbeemdgras (Poa trivialis) groeit in het voorjaar goed, maar hergroeit na het maaien niet goed.
Bosbeemdgras (Poa nemoralis N.) verdraagt veel schaduw, maar is kwetsbaar voor betreding en regelmatig maaien.

Roodzwenkgras (Festuca rubra) kan tegen schaduw en kort maaien. Je vindt het op zonnige tot licht beschaduwde plaatsen op droge tot natte, zoete tot zilte, matig voedselarme tot matig voedselrijke, zwak zure tot kalkrijke grond als duinen, bossen, houtwallen, struikgewas, oeverwallen, grazige heide en bermen. Met 6,3% is het fructaangehalte laag.

Hardzwenkgras (Festuca ovina) is zeer droogteresistent.
Gewoon schapengras (Festuca ovina, subsp. vulgaris) is een zeer droogtetolerante soort, geschikt voor diverse groeiomstandigheden.

Rietzwenkgras (Festuca arundinacea) is standvastig onder extreme omstandigheden als droogte en onder water staan. Het heeft losse zoden met diepe beworteling en houdt van zon op zoete tot brakke, voedselrijke, zwak zure tot kalkrijke grond. Te vinden in verruigd grasland, oevers, bermen, bosranden, greppels, rietkragen, ruigten, duinvalleien, vastgereden stroken, bospaden, dijken.
Het fructaangehalte is zeer hoog, tot 10,5%.

Struisgras (Agrostis tenuis) heeft met boven- en ondergrondse uitlopers een dichte zode. Het kan tegen kort maaien, maar niet goed tegen winterbetreding.

Beemdlangbloem (Festuca pratensis) heeft een matige zodevorming en groeit op zonnige, vochtige, voedselrijke, tot humeuze, zwak zure tot kalkhoudende grond (zowel klei, leem, lemig of humeus zand en laagveen). Vindplaatsen zijn bermen, dijken, beekdal, groeven en reliëfrijke weilanden langs kreken. Het fructaangehalte is erg hoog, tot 9,7%.

Grote vossenstaart (Alopecurus pratensis) kiest zonnige plaatsen op vochtige tot vrij natte, voedselrijke grond als dijken, bosranden, bermen, waterkanten, lichte loofbossen, essenhakhout, ruigten, heggen en struikgewas. Het fructaangehalte is gering, tot 4,3%.

Kweek (Elytrigia repens) wil vruchtbare grond. Het heeft stevige wortels en is vroeg productief. Het gaat dood bij gebrek aan zon en door kort maaien. (Maar dat heb ik zelf nooit kunnen vaststellen.)

Fioringras (of ook wit struisgras, Agrostis stolonfera) heeft een lage opbrengst en verkiest vruchtbare, vochtige grond. Het heeft een wijde, driehoekige aarpluim.

Straatgras (Poa annua) heeft een slechte opbrengst. Door de ondiepe beworteling kan het niet goed tegen droogte en hitte. Het vult snel open plekken in weiland.

Klaver en andere vlinderbloemigen zorgen voor stikstof in de grond en passen dus in ieder grasland. Witte klaver zou langer overleven dan rode. Een bruikbare zaadverhouding is 6 kg rode en 3 kg witte klaver op 25-35kg graszaad.