In een landbouwbodem zit, grote dieren zoals mollen of ratten niet meegerekend, heel wat leven en biomassa. Uitgedrukt in massa zijn er op aarde naar schatting evenveel microben als de massa van ál het andere leven bij elkaar opgeteld.
Per hectare zorgt microflora (plantjes) voor 10.800 kg bacteriën vooral rond plantenwortels waar ze instaan voor opslag en mineralisatie van stoffen. En 10.000 kg schimmels breken vezels af en verbinden bodemdeeltjes en planten.

bodemlevenMicrofauna (diertjes) telt 400 kg protozoën die bacteriën en schimmels eten.
50 kg nematoden of aaltjes zorgen mee voor stikstofmineralisatie. Duizendpoten, spinnen en insecten zijn goed voor 70 kg. Springstaarten zijn structuurvormers rond wortels en zetten organische stof om, ze wegen samen 6,5 kg. Mijten die op aaltjes, springstaarten ed. jagen zijn goed voor 5kg.
Regenwormen die zorgen voor verluchting, drainage, transport van voedingsstoffen zijn echte bodemvormers. Goed voor zomaar 4.000 kg/ha!


In een gezonde akker leeft per hectare dezelfde biomassa aan aaltjes, bacteriën en andere ondergrondse organismen, als zestig schapen of vijf koeien. In natuurlijk grasland is die hoeveelheid meestal nog groter. Al deze organismen zorgen door de verwerking van organisch materiaal voor structuur en leven in de bodem. Die biodiversiteit is belangrijk voor de landbouw en voor de water- en koolstofcyclus. Hoe rijker de bodem, hoe beter de gewassen, hoe schoner het water en de lucht.

Schimmels bestaan vooral uit dunne, vaak meterslange ondergronds draden waardoor ze voedsel en water transporteren. Sommige soorten vormen een ondergrondse levensgemeenschap met plantenwortels. Dit zijn de mycorrhiza’s. We vinden ze vooral in bosbodems en halfnatuurlijke landerijen. Onderzoekers weten er nog weinig van, maar wel dat ze belangrijk, nodig en nuttig zijn.

Aaltjes komen overal voor met tot tienduizend stuks en twintig tot zestig soorten in een ons grond.
Ze voeden zich met allerlei soorten bodemleven. In de landbouw ontstaan aaltjesplagen als het ecosysteem uit balans is. Bijvoorbeeld doordat jarenlang dezelfde teelten zijn toegepast.

Langpootmuggen (vooral Tipula-soorten) leggen van augustus tot oktober 80 à 200 eitjes. De emelten die hieruit komen leven ondergronds, maar eten bovengrondse plantendelen. Ze hebben een voorkeur voor tweezaadlobbigen (dus geen grassen, maar onkruiden). Dus mogelijk doen ze wel goed werk in grasland. Emelten bevinden zich in de bovenste twee tot drie cm van de grond, van waaruit ze ’s nachts half uit de grond stekend, aan de planten eten. Je kan het gras op een warme, vochtige nacht (na een regenbui) afdekken met zwarte plastiek, dan komen ze naar boven en kunnen ’s morgens de vogels (en kippen) ze opeten.

in1m2soilEngerlingen zijn larven van (mei-, rozen- e.a.)kevers en hebben 3 paar borstpootjes. Ze eten wel graswortels. Kraaien, egels, vossen,… vinden ze lekker.

Arthur Hollins van Fordhall Farm zocht decennia lang naar een betere oplossing, waarbij het gras de dieren, en de dieren het gras nodig hadden. Waarbij de grasmat zo stevig bleef dat de dieren het hele jaar rond konden grazen. Zijn zoon en dochter zetten zijn werk verder. Hun enige landbouwvoertuig is een quad. Om verspreid lopend vee terug te drijven, en in de winter wat hooi bij te voederen. Steeds op een andere plek, zodat het niet bevuild wordt, en er geen trappelpoelen ontstaan.

Ze noemen het Foggage Farming (Forage farming = groenvoer landbouw http://www.fordhallfarm.com/fordhall_farm.php?pid=9.)
Het vee leeft het hele jaar rond buiten, en eet enkel gras (en wat hooi), zonder bijvoedering. Dat kan enkel in een gevarieerd landschap met weiland en houtwallen. De dekperiode wordt beperkt zodat moeders hun jongen krijgen als er volop goed gras voor beiden beschikbaar is. De kosten en geïnvesteerde arbeid zijn beperkt, en de dieren (runderen, schapen, eenden, kippen,varkens) zijn pas (ca. 50%?) later op hun slachtgewicht. Het systeem is duurzaam en gezond. De dieren grazen in de zomer in de vochtige dalen, en in de winter op zandige, hoger gelegen grond. Ze blijven nooit lang op dezelfde plek.

Eigenlijk komt het er op neer dat we weer, net als vroeger, zonder import, kunstmest en sproeistoffen, enkel met dierlijke mest, zelf onze eigen dierenvoeding gaan telen.

Ook in de Lage Landen zijn er Grasdieren en een Graskeurmerk met gelijkaardige principes.
Alle dieren krijgen voldoende ruimte, binnen en vooral buiten. Er is een gevarieerde omgeving met bomen en struiken, een diversiteit die de gezondheid ten goede komt.
Ze leven in kleine groepen, hokken van bv strobalen, die makkelijk op een andere plek kunnen gezet worden. Betonnen vloeren worden niet gebruikt, of bedekt met een zeer dikke laag stro. Pure graze is een term die gebruikt wordt voor (vlees van) runderen die het hele jaar op de wei met hoog gras lopen.

De filosofie hierachter is eenvoudig: diversiteit en een kringloop van leven. Geen sproei- of meststoffen, geen antibiotica. Maar een systeem dat zichzelf levend en gezond houdt.

De graszode wordt gezien als een eigen ecosysteem. Net als bv het Amazonewoud, maar dan in miniatuur. I.p.v. een quasi monocultuur van een vijftal grassoorten (met overheersend Engels raaigras) wordt er een variëteit van 20 tot 30 grassoorten gebruikt. Sommigen met diepe beworteling, andere met brede vertakkingen. Vroege en late bloeiers. Droogte verdragende en vocht minnende grassen. Elkaar beconcurrerend boven op een vruchtbare laag die krioelt van microleven. Samen zorgen ze voor een stevige, levende bodem die het hele jaar rond kan betreden en begraasd worden. En naast die grassen zijn er ook nog tientallen soorten bloemen en kruiden. Een gevarieerd aanbod waaruit de dieren kiezen waar ze behoefte aan hebben. Ze zijn hun eigen veearts. En ze vinden alle stoffen die ze nodig hebben.
Stel je voor dat je zelf op een dieet van aardappelen moet overleven. Dan zal het een schrale troost zijn als je de keuze krijgt tussen vier soorten aardappelen. Nochtans is dat precies het eentonige grasland dat tegenwoordig aan vee wordt aangeboden.

Boerenwormkruid (Tanacetum vulgare) en sint-janskruid (Hypericum perforatum) worden soms verward met het voor runderen en paarden erg giftige Jacobskruiskruid (Jacobaea vulgaris). Schapen hebben een enzym in het maag-darmkanaal dat de giftige alkaloïden (deels) afbreekt. Vermijd het in hooi, want gedroogd eten paarden en runderen het op. (Vers niet snel als er voldoende ander groen is.) Blijven maaien (voor de bloei!) helpt als bestrijding. Of handmatig verwijderen. Draag handschoenen, het gif werkt ook via de huid en kan uitslag veroorzaken. Door winterbegrazing met schapen kan je veel kiemplantjes en verse rozetten laten weghalen.

Steek een kluit van 230 x 20 en 30 cm diep uit. Kan je er lagen (wortel, humus, leem, verkleuring) in onderscheiden? Hoe is de wortelgroei per laag? Zitten ze tot onderaan? Gaan ze recht naar beneden?(20 worteltjes is weinig, 200 is veel). Hoe is het vochtgehalte en de kruimelstructuur per laag? Hoeveel wormen tel je? 4 is oké. 3 wormgangen is weinig, 15 is veel.

Omwille van een zo hoog mogelijke melkproductie worden bijna uitsluitend te eiwitrijke grassen gezaaid. Koeien in productiebedrijven hebben door de minder vezelrijke voeding vaak diarree en produceren typische koeienvlaaien. Poep van runderen in natuurgebieden is veel steviger en bevat ook meer voedsel voor insecten. Drollen van koeien op biologische bedrijven bevatten meer dan 150 insecten, tegenover 100 beestjes op "gewone" boerderijen. Ook weidevogels zijn hiervan de dupe. Diversiteit in grassen is aantrekkelijk voor het bodemleven, insecten, kleine knaagdieren, vogels en vee.

Vaste mest heeft uiteraard meer organische stof dan gier. Dierlijke bemesting geeft (in tegenstelling tot kunstmeststof) verschillende fracties in een gespreide periode af.
Grasresten en wortels zorgen voor organische stof in de bodem. Eén procent organische stof extra in de bodem zorgt voor 6 mm meer beschikbaar vocht, en een toename van 25 kg N/ha/jaar.
Grasland heeft bij voorkeur een pH van 5, met klaver een pH van 5,5.

Klaver (in grasland) kan tot 200 kg N/ha binden. Zonder (kunstmatige)stikstofbemesting kan dit 15 ton droge stof/ha opbrengen.
Witte klaver groeit pas vanaf 6-8°C en lijkt daardoor in het voorjaar benadeeld. Hij kan zich ook via stolonen (uitlopers) verspreiden, waarop iedere knoop een bladsteel en 2 wortelgroeipunten vormt.
Zonder bloemen kan je hem van rode klaver onderscheiden doordat deze laatste een fluweelachtige beharing op de achterkant van de blaadjes heeft. Rode klaver heeft als pionier een diepe penwortel en gedijt op droge en op natte grond.

Aan zaadmengsels voor weide en hooiland wordt meestal ook cichorei en smalle weegbree toegevoegd.