Het is zwaar en nat werk. Als je goed zit. Als het droog werk blijft heb je pech. Je plaatst een betonnen ring op de grond en graaft daar in en onder alle grond weg, zodat de ring stilaan zo recht mogelijk naar beneden zakt. Als hij in de grond zit rol en schuif je de volgende ring er op en doet verder, tot je voldoende water hebt. Door het water wordt de grond en het werk als maar zwaarder, maar stop niet te vlug want later schuiven de ringen moeilijker of niet meer naar beneden omdat ze dan terug vastgeslibd in de grond zitten.
Als je op drijfzand uitkomt kan het werk erg gevaarlijk zijn. De graver kan met de buis volledig in het zand verdwijnen. Uitkijken dus, en jezelf minstens met een touw naar boven (waar een helper staat) beveiligen.

De eerste zware betonnen ring van de put zonder hijskraan op de juiste plaats krijgen kan ook door het gat groot genoeg te maken, en een schuin naar binnen en minder diep draaiend inrolvlak te graven. Je graaft over de halve omtrek van de put, wat breder als de ring hoog is, geleidelijk grond weg van de horizontale startpositie op de grond naar de verticale putpositie in de grond. De ring rolt dan vanzelf naar een goede positie en komt ook rechtop te staan. Het gat moet dus wel groot genoeg zijn om de buis ruimte te geven om rechtop te kantelen. Met hefbomen kan je dan nog verder corrigeren.

Bij gebrek aan betonnen buizen kan je de wanden ook versterken met gevlochten takken. Die zullen echter niet lang meegaan.
Je kan ook houten balken gebruiken waarvan de doorsnede een trapeziumvorm heeft, zodat je ze als duigen van een ton tegen elkaar kan zetten. De aarde aan de buitenkant drukt ze dan tegen elkaar. Voor de laatste duig moet je extra ruimte uitgraven, zodat je ze dwars kan inbrengen, en dan terplaatse in de juiste positie kan draaien.
Het is ook mogelijk om de put naar beneden steeds dieper met bakstenen te metselen.

Onze creatieve voorouders gebruikten behalve voor de plaggenhut ook plaggen om een putwand voor de plaggenput te verstevigen. In de Middeleeuwen groeven ze tonnen in tot een tonnenput. En tot 1250 werden er boomstamputten gebruikt. Meestal waren het holle of uitgeholde eiken die hiervoor ingegraven werden. Daarvan zijn er nog meerdere teruggevonden.

Leg op de bodem van de put minstens een dubbele laag keien. Dat voorkomt dat er bezinksel, stof en vuil opwarrelen en mee naar boven komen bij het putten (met een emmer) of pompen. Hang de pompinlaat niet op, maar boven de bodem.

putOm met een emmer te putten gebruik je best een zinken tob. Plastiek is te licht en drijft makkelijker. Laat de emmer niet recht naar beneden zakken, want dan drijft hij op het water en raakt niet vol. Drop hem (met een touw aan het hengsel ;) ) met de opening schuin naar beneden zo dat een deel van de bovenrand eerst het water raakt. Dan loopt hij snel helemaal vol. Trek hem niet recht voor hij vol is, want ook met wat water er in blijft hij drijven, en kan je hem niet meer doen duikelen.
Dat geldt evengoed als je een (houten) rol om het touw op te winden boven de put hebt gemonteerd.
Het vergt wat oefenen. Schippers hebben er geen moeite mee om hun emmers op die manier vol te krijgen. Maar die hebben we meer ruimte.

Lange staken werden ook gebruikt om een aker te putten. Soms werden ze aan een lange hefboom over een hoge paal gehangen, met aan het andere eind stenen als contragewicht. Je moet er de slag van te pakken hebben, dan kan het met minder moeite.

Ik heb, nadat er een tijd een dode muis in mijn put gedreven had, die terug wat schoongemaakt en gereinigd door hem eerst grotendeels leeg te pompen en er dan sulfiet (ook door brouwers gebruikt om materiaal te ontsmetten) in te strooien. Aangezien er in wijn ook restsulfiet toegelaten is, leek me dat een veilig idee. Maar misschien zijn er beter mogelijkheden?

Je maakt je put dus beter zo dat er geen beestjes (of afval) in kunnen.

 ‘Wie een put graaft voor een ander krijgt zelf rugpijn.’
(E. Constant Sr.)
Wie een put graaft voor een ander is bankier.
 (Hugo Olaerts)