Gebruik hiervoor lange netels met een dikke stengel en verwijder de bladeren. Plet de stengels (tussen duim en vingers of houtjes, steen) tot de stengel helemaal plat is. Breek de stengel voorzichtig aan de basis. De vezels worden zichtbaar en komen los van de houterige kern. Trek de bast voorzichtig van de stengel. Probeer daarbij de vezels zo lang en breed mogelijk te houden.
Laat de vezels wat opdrogen. Te droge vezels moet je voor het draaien terug eerst een beetje bevochtigen.

Met de hand draaien
Neem een bundeltje vezels en draai de uiteinden in tegenovergestelde richting. Blijf doordoen tot de bundel in het midden omkrult en de twee draden daardoor rond elkaar gaan draaien. Je bent eigenlijk gelijktijdig aan het spinnen en het twijnen. In het midden vormen zich de eerste slagen. Klem de eerste slagen ergens tussen (knieën, tanden..) vast en blijf beide einden verder draaien (spinnen). Voeg tijdig nieuwe vezels toe om de dikte en sterkte van het touw gelijk te houden en het touw langer te maken.

Een andere methode is het rollen op je dijbeen. Neem twee strengen en leg ze parallel op je dij. Houd met een hand de uiteinden van twee strengen vast. Rol met je andere hand over de strengen zodat de vezels rond elkaar draaien (spinnen). Herhaal dit tot de strengen door de opgebouwde torsie rond elkaar gaan krullen (twijnen). Ook weer tijdig vezels aan de strengen toevoegen om het touw lang, egaal dik en stevig te maken.

De natuur levert veel materiaal waarmee je touw kan maken.
bindmateriaalStengels: brandnetel (Urtica), bies (Scirpus), braam (Rubus), hennep (Cannabis), speerdistel (Cirsium vulgare), wilgenroosje (Epilobium angustifolium), teunisbloem (Oenothera),

De beste schors voor bindmateriaal is afkomstig van dunne takken. Die schors is dunner. Gebruik walnoot (Juglans), linde (Genus Tilia), wilg (Genus salix), es (Fraxinus), iep (Ulmus), kers (Prunus), ceder (Cedrus), tamme kastanje (Castanea sativa), esdoorn (Acer), poplier (Populus deltoides), eik (Quercus)

De beste wortels vind je dicht onder de oppervlakte. Dikkere kan je splitten. Gebruik lariks (Larix laricina), den (Pinus sylvestris), ceder (Cedrus), conifeer (Juniperus), spar (Picea), salie (salvia), els (Alnus), berk(Betula)
Linde (Tilia) werd door de vezelige structuur van de bast vroeger voor vloerbedekking (matten) en later ook voor papier gebruikt. Het werd gebruikt als touw en bindbast voor het binden van schoven en bezems.

Bladeren: riet (Phragmites australis), veenreukgras (Hierochloe), lisdodde ( Typha), zegge (Carex), kweek (Elytrigia repens)

Dunne uitlopers van berk en hazelaar, en gespeten braambes zijn rechtstreeks geschikt als touwtje.

Bij dierlijk materiaal zijn paardenhaar, huid, pees en darm geschikt.

Een pees is een taaie, niet rekbare, sterke streng of band van vezelachtig bindweefsel tussen een spier en een bot, waarmee de spieractiviteit op het bot wordt overgedragen. Je ziet en voelt ze op de rug van je hand. Zeer gekend is ook de achillespees, achter boven je hiel. Dit is ook de langste pees.

Pees kan gebruikt worden voor boogpezen, het vastzetten van pijlpunten, vislijnen, bindingsmateriaal, strikken en garen. Als je ze nat maakt drogen ze even hard als lijm. Knopen is dus niet nodig.

Een droge pees is hard en broos. Met een steen kan je de vezels los slaan. Ze zijn bruikbaar als je ze in warm water weekt.

Een bullenpees is half zweep en half stok, eigenlijk de gedroogde penis van een stier (bul). Een bullenpees is minstens 75-85 cm lang.