Vakwerk is een historische bouwwijze om wanden te maken. De vakken van het skelet worden achteraf ingevuld met leem, later ook baksteen. Vakwerk bestaat uit stevig, zelfdragend stijl- en regelwerk van hout. De stijlen lopen door in de gebinte-constructie.

vitswerk3Aan de hand van de beschikbare eiken balken, stammen en zware takken werd een constructie voor het gebouw uitgedacht als voor een draadmodel. De eik werd in de winter gekapt. De stammen werden enkele weken in stromend water gelegd. Het sap werd zo vervangen door water, dat later verdampte. Dikke stammen werden gekloven, Soms door gaten te boren, daar schors in te persen en die nat te maken. Door de zwelling werd de stam gekloven. Of hij werd op een zaagkuil met een trekzaag stuk (of recht) gezaagd.
Alle stukken werden pasklaar gezaagd, gekapt en geboord. De verbindingen werden getest en genummerd. Hiervoor werden soms Romeinse cijfers in het hout uitgestoken. Er worden pen-gat verbindingen gebruikt. Grosso modo wordt voor een pen de kop van een balk in de lengte in 3 delen verdeeld. De twee buitenste delen worden weggezaagd. Bij de rechtopstaande balk wordt een passend gat geboord en gehakt. Dwars daarop werden beide stukken doorboord. Pas bij de definitieve bouw werd hierin een knellende pen gehamerd. Die was van groene eik (nog niet gedroogd). Door het drogen trekt de pen krom, en komt daardoor nog vaster te zitten.
Een wand werd eerst op de vlakke grond gemonteerd, en daarna rechtgetrokken. Denk er aan dat je de constructie beneden niet kan vastpinnen als er boven ook nog een regel tussen moet!

Belangrijk is dat er ook schuine verbindingen worden gemaakt (schoren). Driehoeken zijn vormvast en bieden de constructie daardoor stabiliteit. Onze voorouders ware geen stommeriken. Dit vraagt veel doorzicht.

staketselEikenhout blijft eeuwen goed en oersterk. Als het droog blijft. Daarom werden er ook altijd ruim overstekende daken gemaakt. Daardoor blijft ook de grond droog.
Het ondergrondse deel van het hout kan ter bescherming geteerd worden. Eigenlijk is het vooral de zone ter hoogte van het maaiveld, waar het hout afwisselend vochtig en droog wordt, die door rot aangetast wordt. Een mengsel van gekookte lijnolie met houtskoolpoeder zou ook (afdoende?) beschermen.

Volgens mijn inmiddels al lang overleden en toen al oude buurman Pie(ter) werden er als fundering voor de buitenomtrek keien gebruikt. Niet om een stevig draagvlak te krijgen, maar om een barrière te maken waardoor muizen en vooral ratten geen tunnel naar binnen konden graven.

Op het skelet wordt eerst het dak gemaakt. Daardoor blijft alles droog en kan er aan de lemen muren gewerkt worden.

In een streek met hoog grondwaterpeil werden halve kelders gebruikt. Half in en half op de grond. Het kamertje boven de kelder was de ´opkelder´. Hier werd vaak steen gebruikt om de ruimte koel te houden.

Een (nooit door mij geprobeerde) tip uit een oud huishoudboekje:
Houtwormen vernietigt men, doordat men borden met eikels onder de wormgaten zet. De lucht van de eikels lokt de wormen uit de gaten, zodat men ze gemakkelijk doden kan.

Op de hoeken van gebouwen werden vaak zware en grote keien geplaatst, om te vermijden dat langsrijdende karren de muren konden beschadigen.

Houtworm: "Er is een lading hout uit Hong Kong aangekomen.
Zullen we gaan Chinezen?"