suiker8.000 jaar voor Christus kende Papoea- Nieuw-Guinea al suikerriet. Vandaar belandde het in India en China. Er werd op de ‘suikerstengels’ gekauwd. De Hindoes ontdekten dat je ze kon persen en het sap kon laten verdampen. Bij het afkoelen van de kleverige, bruine brij ontstaan kristallen. De Hindoes noemden dit “Sarkara”. Dit is het stamwoord van ‘suiker’ in bijna alle talen.
Via India en Perzië is suiker in de Arabische wereld, en zo vanaf de negende eeuw ook in Spanje beland.
70 % van de suiker in de wereld is rietsuiker (vooral uit het Zuiden), 30 % is bietsuiker.

Bij suikerriet perst men sap uit de stengel waarmee door indamping suikerstroop wordt gemaakt. Bij suikerbieten gebeurt de extractie door warmwater (diffusie).
Hoe geraffineerder de (witte of bruine) suiker, hoe slechter voor het lichaam. Wat overblijft na raffinage is pure sucrose of sacharose, een chemisch product zonder vitaminen en mineralen.

Gemiddeld is zes ton bieten (Beta vulgaris subsp. vulgaris var. altissima) nodig voor het produceren van één ton suiker.

In 1825 was het gemiddelde suikerverbruik ‘amper’ 2 kg per persoon per jaar.
In 1999 was dit al 45,5 kg pp/jaar!