In Noord-Afrika zijn er prehistorische vindplaatsen van duizenden lege slakkenschelpen in grote hopen van tientallen meters lang (“escargotières”). Ze staan dus al lang op ons menu. Om ze te verzamelen moet je dan ook niet noodzakelijk een snelle jager zijn.

rupsenWeinig slakken zijn interessant voor consumptie. Culinair worden de waterslakken alikruik (Littorina littorea) en de wulk (Buccinum undatum )gebruikt, en de landslakken uit de familie van de Achatina (reuzenslakken tot 20 cm lang, en een gewicht tot 250 gram) en de Helix (wijngaardslakken en aanverwanten). Ze hebben op zich weinig smaak, vandaar de meestal kruidige bereidingen.

De wijngaardslak (Helix pomatia) wordt soms verward met de segrijnslak (Cornu aspersum, ook Cryptomphalus a. en Helix a.) die veel kleiner is en een huisje heeft dat donkerder bruin is, met een meer geprononceerde vlekkentekening. (Bij jonge exemplaren is het verschil moeilijker te zien.) Het lichaam van de segrijnslak is ook veel donkerder van kleur. De segrijnslak wordt ook Petit gris, caracole of kleine wijngaardslak genoemd (als onderscheid met de (beschermde) grote.
Het woord 'segrijn' heeft betrekking op de ruwe huid van roggen en haaien, die ook gebruikt werd als schuurpapier en voor handvatten en schedes van samoeraizwaarden (voor een betere grip).

De schelp is bol-kegelvormig met een stompe top, iets breder dan hoog, en heeft tot ongeveer 5  groter wordende windingen, gescheiden door een ondiepe structuur. Ze is onregelmatig en grof gestreept in de richting van de groeilijnen (streepjes haaks op de draai van het huisje).
Voor de overwintering sluit de slak het huisje met een amorf en hard, grauwgrijs kalkachtig epifragma af.

De slak stamt uit het zuiden en zuidwesten van Europa. Elders is ze een succesvolle exoot. Via plantgoed komt ze nu in het grootste deel van Europa voor, ook in Nederland en België. Ze houdt van warm en vochtig, en heeft voor haar huisje ook kalk nodig.

Ze eten jonge groene planten of scheuten.
Ze zijn meestal 's nachts actief omdat het dan vochtiger is. Ook na een regenbui overdag komen ze massaal tevoorschijn.

Bij verzamelen in de natuur moet je rekening houden met pesticiden (spoorwegbermen!) en kunstmestgebruik. Segrijnslakken kunnen goed gekweekt worden zowel buiten in omheinde parken als binnen onder volledig gecontroleerde omstandigheden.  Een nevenproduct, de slakkeneieren worden ook witte kaviaar genoemd.

Je geeft ze bladgroen uit de tuin en keukenafval, als het maar niet giftig is voor de mens: courgetteschillen, komkommer, sla en vooral kool.
De volwassen segrijnslakken hebben een schelpdiameter van ca. 30 mm en wegen inclusief schelp 8 à 15 gram. Na het groenvoer zet je ze 3 dagen in een luchtige rieten mand met een schoteltje met meel, eventueel gemengd met wat (gedroogde) kruiden en een klein beetje zout, en een bordje met wat water. Haal daarna eten en drinken weg en laat de slakken nog drie dagen vasten.
vervolgens worden alle slakjes zorgvuldig ontslijmd door ze meermaals te wassen en spoelen in water met zout en azijn. Vervolgens kan je ze klaarmaken zoals wijngaardslakken (zie <Escargots>). Het klassieke Franse recept bevat kruidenboter met knoflook en peterselie. Je kan ze ook in glazen Weckbokaaltjes in een kruiden- court-bouillon steriliseren en bewaren.

Als je kiest voor een dood die rustiger lijkt kan je ze ook eerst een dag invriezen.