Net als bij molenbouw vereist scheepsbouw generatielange overgeleverde kennis. Houten schepen zijn verbluffende parels van vakmanschap. En er werden eeuwen lang ganse vloten gebouwd. Een poging om al deze kennis te verzamelen en bewaren zou te uitgebreid zijn om hier op te nemen.

buildingwoodenshipVooral eik werd voor schepen gebruikt. Een eik heeft 100 jaar nodig om volgroeid te zijn. Voor een beetje linieschip moesten 2.000 eiken geveld worden. (Maar ca. de helft van het hout was bruikbaar.) Er ontstonden dus kaalslag en tekorten, zelfs oorlogen om bossen.
Om hout optimaal te gebruiken liet men bomen groeien in gewenste en nuttige vormen. Zo kreeg men minder afval, en sterkere constructies. Krommers waren moeilijk te vinden en duur. Alleen al hierdoor was een overlevering over meerdere generaties nodig. Zo produceerde men in vorm gegroeid, ‘gewossen hout’ als een gewrongen stuk knie voor het hoofddek, mastkaak, recht stuk, sleutelstuk, dekknie voor verdek (opperdek), bolder, verlengstuk, knie voor bakdek, wrang (vrang), steker. Elke werf van betekenis had daarvoor een specialist: de kniekeurder.

Om het kostbare hout en schip tegen aantasting, rot, worm te beschermen werden diverse middelen ingezet. Op galeien van de Romeinse keizer Caligula (12 na Chr. - 41 na Chr.) die uit het Nemimeer geborgen werden, is de huid bekleed met in teer gedompeld wollen weefsel. Daarover zijn loden platen gespijkerd. Bij de Portugezen werd het onderwaterschip gebrand of geroosterd, zodat een dikke verkoolde korst de huid bedekte. In de 17e eeuw werden schepen die naar de tropen voeren tot boven de lastlijn voorzien van een grenenhouten dubbelwand. Hiervoor werd de onderliggende scheepshuid eerst gebrand, gedroogd, en geteerd.

Wat zou jij meenemen naar een onbewoond eiland?
Een boot.
(Yvan Audouard)