Peulvruchten (erwten, bonen) zijn eiwitrijke vruchten (zaden) die exclusief tot de vlinderbloemenfamilie (Fabaceae) horen. Ze zijn 4 x heel interessant:

  • ze bevatten veel eiwitten,
  • zijn makkelijk te drogen en zo lang te bewaren
  • binden zelf stikstof uit de lucht in de grond en
  • het stro is prima veevoer.

In archeologische sites rond Çayönü werden erwten van rond 8.500 à 8.000 v.Chr. gedateerd.
In Zwitserland zijn erwtenzaadjes gevonden die meer dan 5.000 jaar oud zijn.

PeulvruchtenDe (voeder)erwten/veldbonen kunnen prima samen met graan verbouwd worden. Ze doen aan stikstofbinding en hebben een hoog ruw eiwitgehalte. De wintergranen geven steun en onderdrukken het onkruid bij het jong gewas. De opbrengst van een mengteelt is doorgaans hoger dan van de afzonderlijk gewassen.

Zaaigoed wordt nogal eens door vogels weggepikt. Voorkiemen helpt, het maakt de zaden bitter. Voorkweken en uitplanten kan ook. Diep zaaien kan de schade verminderen. Strooi snoeiafval en takjes over de zaaigeul. Of gebruik vogelnetten.
Het zaad een nacht laten weken versnelt de kieming.

Zodra het eerste echt bladpaar gevormd is kan de plant aangeaard worden.

Hoge planten klimmen langs rijsmateriaal omhoog. Het gewas is dan windgevoelig. Maak dubbele rijen die elkaar boven raken en steunen.

Jonge peulvruchten zijn smakelijker en zoeter. Geschikte soorten worden dan in de peul gegeten. Als ze ouder en taaier worden kan je ze nog laten hangen om droog te oogsten. Onrijpe peulen hebben een vlezige vruchtwand. Bij rijping wordt die dun en vliezig.
Als je de vrucht met peul eet moet je bij oude variëteiten het topje, het staartje en de "draad" (de vezelige verbinding tussen de twee peulhelften) er af te halen.

Wil je ze gedroogd bewaren, oogst dan pas als de onderste peulen geel zijn en de korrels hard. Je kan ze ook bundelen en (omgekeerd) ophangen om te drogen, of om later de zaden er uit te halen of te dorsen.
Je kan de peulen (al dan niet met loof) in een kussensloop doen en die flink afranselen (tegen de muur, er op trappen, met een deegroller…) om de zaden er uit te dorsen.
Hak of knip het loof juist boven de grond af als veevoer, stalstrooisel, mulch of compostmateriaal. De wortels blijven in de grond zitten, waardoor de stikstof beschikbaar blijft voor de volgende teelt.
Gedroogde zaden kan je voor gebruik best een dag laten weken.

Erwt of boon?
Peulvruchten met een niervorm zijn bonen, en ronde zaden (meestal groen) noemen we ‘erwt’.
Erwten hebben ranken waarmee ze zich vastgrijpen en slingeren (als augurk, druif). Hoge bonen winden hun stengel spiraalsgewijs rond een staak omhoog.
De kiemblaadjes van erwten ontvouwen zich onder de grond, de zaadlobben van bonen erboven.

De Romeinen noemden de Germaanse erwten ‘ervum’, een verbastering van het Arabische ‘arvo’ (dop). De correcte uitspraak van erwt is [ert]. De w stamt van het oorspronkelijke woord erwete en arweete. Ze wordt niet (meer) uitgesproken. Het eerste deel is een woord *arwa- dat verwant is met het Latijnse ervum, peulvrucht.
Gregor Mendel gebruikte vaak erwten voor zijn genetische onderzoeken.

Erwten

De erwt (Pisum sativum) is rijk aan plantaardige eiwitten, koolhydraten, ijzer, vitaminen en voedingsvezels. Ze worden in de vegetarische keuken gebruikt als vleesvervangers.
Ze worden onrijp geoogst als de suikers nog niet zijn omgezet in zetmeel. Daardoor hebben ze dan een zoetere smaak.
In het Verre Oosten wordt de erwt geroosterd en gezouten als snack gegeten. In Engeland wordt de landbouwerwt in een traditioneel puddinggerecht gebruikt.

Erwten kiemen al bij 1°C en ontwikkelen zich verder vanaf 5°C.

Er zijn veel varianten, als kreukerwt, blauwschokker, grauwe erwt of kapucijnerwt, ronde groene erwt, (landbouwerwt), gele erwt, schokkers, rozijnerwt en suikererwt (sugar snaps).

De doperwt (Pisum sativum convar. medullare of convar. glaucospermum)kent kreukzadige of gerimpelde, en gladde soorten. Bij doperwten heeft de peul of sluim aan de binnenkant een perkamentachtig vlies. Jonge erwtjes worden daarom uit de peul of dop gehaald of gedopt.

Sluimerwten (Pisum sativum convar. axiphium var. macrocarpum) hebben niet die taaie laag aan de binnenzijde van de peul. De jonge peul eet je helemaal met de nog onvolgroeide erwtjes erin. De peulwand zit strak rond de zaden gespannen, je ziet de zaden in de gegolfde peul zitten. Bij een (te) late oogst, worden de dikkere erwten als doperwt gebruikt.

Suikererwten (Pisum sativum convar. axiphium var. saccharatum) hebben dikwandige, sappige sluimen met grote, zoete erwten in. Ze zijn in hun geheel als sluimerwten te eten.

Spliterwten zijn groene, droge erwten, die van de zaadhuid ontdaan werden, waardoor de zaadhelften uiteen vallen. Ze worden vooraf geweekt en meestal in erwtensoep verwerkt.

Hoge rassen zijn arbeidsintensiever maar je kan er meer erwten mee winnen op een kleine oppervlakte. Hoge erwten (langstro- of stokerwten) hebben klimmateriaal als steun nodig. Sommige rassen kunnen 2 m hoog worden. Gebruik gaas of rijshout (takken).
Lage (stam- of rijserwten) blijven kleiner dan 120 cm, en struikerwten zijn korter dan 60 cm.

Kapucijners (velderwt, schokkererwt, vale erwt of grauwe erwt) zijn klimplanten met purperen bloemen, de peulen zijn blauw/paars. Ze hebben een gekromde peul met 1 tot 10 zaden.

De kikkererwt, kekererwt, keker of garbanzo (Cicer arietinum) heeft twee tot drie erwten in de ongeveer 3 cm lange peul. Ze zijn subtropisch en hebben meer dan 400 mm jaarlijkse regen nodig. Ze kunnen in een gematigd zone groeien, maar de opbrengst is laag. Gekende producten van kikkererwten zijn hummus en falafel. Geroosterd kunnen ze ook als snack gegeten worden.

Keker  komt van het Latijnse cicer. Romeinse redenaar Cicero heette ‘erwtje’ omdat één van zijn voorouders naar verluidt een wrat in de vorm van een kikkererwtje op zijn neus had. Door verkorting van de klinker is keker als kikker gaan klinken.

De linze (Lens culinaris) heeft veel warmte nodig en is hier enkel onder glas (of tunnel) te verbouwen. De zaden kunnen verscheidene kleuren en groottes hebben. In de bijbel is te lezen hoe Ezau zijn eerstgeboorterecht verkocht aan zijn broer Jacob voor een bord linzensoep.


Bonen

Bonen (Phaseolus vulgaris) zijn er in meer dan 4.000 soorten en vele kleuren: paars, bruin, groen, geel, wit, gevlekt, azukibonen, limabonen, mungbonen, flageolets en kievitsbonen. Zwarte en rode (kidney)bonen kennen we vooral van de Chili con carne.
Bonen werden pas na 1550 uit Peru en het zuiden van de VS meegebracht.
Het kweken van bonen begint na de ijsheiligen (half mei), want ze verdragen geen kou.
Biologisch gezien zijn pinda's (Arachis hypogaea) geen noten, maar ook bonen.

De tuinboon of labboon (Vicia faba) is zeer geliefd bij bladluizen. Ze heeft smalle bladeren, een stevige stengel en stevige staande peulen. (Struikbonen hebben brede bladeren en hangende vruchten.) Je kan de jonge toppen als groente koken, de eerste boontjes als sperziebonen gebruiken, de grotere doppen en de oudere bakken en zouten als borrelhapje.

Lage bonen worden 40-50 cm hoog en worden ook struik- of stambonen genoemd.

bonenHoge bonen winden hun lange stengel 2 of 3 m hoog rond een steun. Voor stok- of staakbonen ligt de opbrengst per m2 hoger.
Je kan draadnet gebruiken, bamboe, een staak (met een fietswiel op en) en touwen,…) Als de constructie te laag is, vormen de planten bovenin een kluwen waarin schimmels gedijen.
Op houten bonenstaken kunnen schimmelsporen (en mijten) achterblijven die een gevaar vormen voor de teelt van het volgend jaar. Je kan ze afbranden door de staken door een vlam te halen.
Zaai aan de binnenkant van elke staak in een halfcirkelvormige gleuf op een tiental cm van de staak om de 4 cm, samen 3 à 6 zaden.

Van ‘droge bonen’ wordt het droge zaad geoogst.

Snijbonen (Phaseolus vulgaris) hebben grote vlezige peulen. De hele peul met het onrijpe zaad erin wordt gebroken, gesnipperd of gesneden gegeten.

Met ‘boontjes’ worden meestal sperziebonen of prinsessenbonen (Phaseolus vulgaris) bedoeld.
Boterbonen (Phaseolus vulgaris) zijn prinsessenbonen met gele sluimen.

Spekbonen (Phaseolus vulgaris)zijn grove stokprinsessen, die gegeten worden als snijbonen. Ze zijn zoeter, erg groot, rond en vlezig en brengen meer op dan prinsessenbonen. Ze zijn ook als droogboon te gebruiken.

Pronkbonen (Phaseolus coccineus)kregen vele verschillende namen. Ze hebben een wortelstok, wat vrij uniek is voor een boon. Ze danken hun naam aan hun mooie bloemen. Een gekende variëteit zijn boerentenen (grootzadig). Ze zijn veel sterker en beter bestand tegen guur weer. Pronkbonen zijn meerderjarig: je kan ze voorzichtig uitgraven en vorstvrij opslaan om ze laat in het voorjaar terug buiten te zetten. Zo kan je vroeger oogsten. (De verdikte wortels zouden ook eetbaar zijn.)

Soja (Glycine max) is een vet- en eiwitrijke boon waarvan vaak genetisch gemanipuleerde soorten worden geteeld.

Kousenbanden (Vigna unguiculata en aspergeboon: Vigna sesquipedalis) zijn hier alleen onder glas te telen. Ze kunnen tot 80 cm lang worden.

Een Heilig boontje is iemand die zich braaf voordoet, maar ook een zelfbestuivende struikboon. Ze dankt haar naam aan de paarse tekening rond de navel (de plaats waar de boon met een kort steeltje aan de binnenkant van de peul vastzit). De typische tekening op de boon wordt bepaald door de genen. Afhankelijk van wat mensen in deze Rorschachtest zagen noemden ze die Soldatenboontje, Monstransboon of Heilig boontje.

Flatulentie of winderigheid kan veroorzaakt worden door oligosacchariden die de goede werking van de dikke darm bevorderen. De werking verminderen kan.
Week de bonen lang, ververs het weekwater enkele keren.
Koop gedroogde bonen uit de recente oogst, geen oude.
Kook de bonen vooraf in ongezouten water en giet het kookwater weg.

Je kan boontjes ook bewaren door inzuren met melkzuurgisting, zoals zuurkool.

Een rare snijboon is onberekenbare, wonderlijke figuur die vreemde en onverwachte dingen zegt en doet.
Een blauwe boon is ook een benaming voor een kogel, waarschijnlijk vanwege de blauwige glans van het lood.
Iemand die voor spek en bonen meedoet wordt niet meegeteld, is overtollig.
Een tuin kan ook romantisch zijn. Je kan er iemand het hof maken, of er om leiden.
‘Ik ben geen vegetariër omdat ik van dieren houdt, maar omdat ik planten haat.’ (A. Whitney Brown)