naaienEen speld is een dun scherp staafje met aan het andere eind een kopje, als een spijker. Je kan er werkstukken van textiel of leer voorlopig mee aan elkaar spelden voor je ze vastnaait.
Een naald is een speld zonder kopje, maar met een gaatje om een draad door te steken. Je kan ze maken door het eind van een speld plat te slaan en daar een gaatje in te ponsen, of door het eind in een lusje terug om te krullen. Tegenwoordig zijn naalden van staal. Vroeger meestal gesneden uit been, of harde houtsplinters.
Om een naald door taai weefsel (canvas, leer) te drukken heb je een vingerhoed (of een steentje, houtje…) nodig. De naainaald was er 18.000 jaar BC al! Als draad werden meestal vezels van zenuw of pees gebruikt.

Door het oog van de naald
Het lijkt of is soms een heel gepruts om een draad door het oog van de naald te krijgen.
•    Gebruik de juiste naald, het oog moet uiteraard groot genoeg zijn. Er zijn naalden in veel verschillende maten.
•    Bepaal de juiste draadlengte voor je werkstuk. Een te lange draad (+ 90 cm) raakt snel in de war of geklemd bij het naaien. Bij een te kort stukje draad moet je telkens opnieuw gaan rijgen.
•    Knip de draad met een scherpe schaar in een hoek van 45 graden door. (Alle beetjes helpen.)
•    Maak het puntje vochtig (speeksel) en draai het stevig samen, zodat de vezels samen kleven en blijven.
•    Houd het oog (van de naald) bij voldoende licht voor een licht oppervlak, de opening naar je toe.
•    Neem de draad ca 1 cm achter het vochtige puntje, steun beide handen tegen elkaar en mik de punt door het oog.

Of gebruik een draaddoorhaler die in de meeste naaisetjes zit. Of improviseer er een door een stuk ijzergaren of dun koperdraad uit een elektrisch snoer dubbel te plooien. Die punt steek je door het oog van de naald. Door dat lusje steek je de draad en trekt hem dan aan de twee uiteinden van het metaaldraad door het oog van je naald.

Leg in 1 einde van je draad een (liefst dubbele) knoop.

Er zijn naainaalden van de cro-magnonmens gevonden in Frankrijk uit 16.000 tot 25.000 BC. Archeologen beschrijven hoe ze gekerfd en gesneden of geschraapt werden uit bot of ivoor, gepolijst en vervolgens doorboord. Maar het lijkt me aannemelijker dat het doorboren eerst gebeurde. Probeer maar eens een smalle, harde splinter te doorboren, waarbij het gat (te zien op foto’s van de naalden) groter is dan het materiaal dat blijft staan.

Er zijn (Romeinse, Keltische..) sier- of schouderspelden (fibula) gevonden in alle mogelijke afmetingen en vormen. Een exemplaar uit 700 v.C. uit Beotië lijkt heel goed op de veiligheidsspeld zoals wij die nu kennen.

Walter Hunt vond in 1849, om zijn schulden af te betalen, de veiligheidsspeld (opnieuw) uit: aan een kant een punt, aan de andere kant een veiligheidsklepje, en in het midden tot een veer opgerold.

Als je geweven stof knipt kan je de randen best (eventueel tweemaal) omplooien om ze (vast) te naaien. Dat verstevigt de rand en vermijdt uitrafelen.

Als je kan naaien kan je kleding maken. Je kent allicht een noodregenjas, gemaakt van een plastieken(vuilnis)zak? Midden uit de bodem knip je een stukje waar je je hoofd door kan steken, en daarnaast aan iedere zijkant maak je ook een opening om je armen door te steken.
Dit is meteen het eenvoudigste model voor een tuniek.
Leg een lap stof dubbel, naai de boven en de zijkant dicht. Maak een hoofd en armopeningen en klaar is het.
Als je aan de armgaten buisjes naait krijg je een T-shirt. Als je het kledingstuk plat legt zie je het basismodel, een T. Vandaar de naam. Je kan best alle randen omzomen. Een kraagje verzinnen. Knoopjes, versmallen in de taille… Zo krijg je een polo, hemd, jas, jurk…
Om mooi passende kleding te maken moet je de nodige stukken mooi passend op maat kunnen knippen en aan elkaar maken. Voor het tekenen van de stukken zijn er ook patronen te vinden. Die kan je, afhankelijk van de nodige maat, vergroten of verkleinen. Houdt rekening met de extra randen die nodig zijn om het weefsel aan elkaar en om te naaien.
Om uitrafelen te voorkomen worden de randen of naden ietsjes omgeslagen, vaak twee maal zodat er geen losse eindjes of draden zichtbaar zijn. Het omvouwen kan je fixeren door (vochtig) te strijken.

Meestal worden de onderdelen eerst met ruwe steken aan elkaar geregen: het driegen. Pas daarna (eventueel na passen en corrigeren) worden ze stevig en definitief genaaid.

In alle oude culturen was een peplos (buisvormige jurk zonder mouwen) dagelijkse kleding. De Keltische vrouwen gebruikten twee rechthoekige stukken stof die aan de zijkanten en op de schouders vastgemaakt werden met twee fibulae (spelden), die soms onderling verbonden werden met een decoratieve ketting. Mannen droegen ze ook als toga, of de kortere versie als tuniek. Ook een wikkelrok en mantels kwamen veel voor.
De Kelten vonden ook de broek uit. Die bestond eerst uit lappen stof die ze met riemen rond het been werden gebonden. (Ook de ‘Schotse’ ruiten zouden een weefpatroon van de Kelten of Oude Belgen zijn.) De Romeinen vonden de broek barbaars.

Een decreet uit 1799 verbood vrouwen in Parijs zonder toestemming een broek te dragen op straat.
De lange broek van arbeiders werd gezien als symbool van revolutionaire gezindheid. De aristocraten droegen immers een culotte (broek tot net onder de knie). Het decreet werd op 31/01/2013 opgeheven.

Mijn moeder krijgt alles voor elkaar met wat stof en een naaimachine. Als kind mochten we voorzichtig helpen om met een scherpe, gutsachtige naald en een scheermesje alle naden van oude kleding terug los te tornen. Met twee ging het makkelijker: eentje trok de naden zo ver mogelijk open, en de ander ritste met het scheermes de draden door. Moeder maakte van de lappen weer ander stukken. Mijn broer heeft eens heel fier verteld dat hij een nieuwe broek had uit ons vader zijn oude jas.

Als je een knoop gebruikt (schijfje hout of dik leer, of stokje) moet je het knoopsgat verstevigen door met garen rond de randen te naaien zodat ze niet uitrafelen. Je kan er een stukje stof of leer achter naaien om het gat te verstevigen. De eerste knoopsgaten waren gewoon een lus.

In ons klimaat is kleding belangrijk. In de zomer als bescherming tegen de zon. In de winter om ons te isoleren en lichaamswarmte vast te houden. Meerdere dunne lagen isoleren beter. Ook wollige vezels houden goed lucht vast. Denk eraan dat je het meeste warmte via je hoofd verliest. Zorg dus vooral voor een hoed of kap. En houd je (be)kleding droog, anders is de isolatiewaarde nihil.

Archeologen hebben op de Yanghai begraafplaats een 3.000 tot 3.300 jaar oud wollen broek gevonden, model paardrijbroek. Dit ondersteunt de theorie dat broeken werden uitgevonden door nomadische paard rijdende herders in Centraal-Azië. In oude culturen droegen mensen vooral toga’s, gewaden en tunieken.

Zigzagnaaimachine: een dronken hoer op een fiets.