lijmstokkenDit is een verhaal van Omer Savat uit St-Laureins (Meetjesland), die er in 1911 geboren werd, gans zijn leven in die schone boerenparochie doorbracht, en een verstokte vogelvanger was. Hij vertelde aan de plaatselijke heemkundige kring hoe men te werk ging bij het vangen van sijsjes.
Om vogellijm te maken kookte men lijnolie tot die in brand vloog.
Als de lijm niet vanzelf wilde ontvlammen stak men die zelf aan met een brandend stekje. Dan werden de vlammen geblust met een natte baalzak en ging men na of het resultaat kleverig genoeg was: als men er een beetje van tussen duim en wijsvinger nam, moest men moeite hebben om die terug van mekaar los te maken. Als de lijm niet sterk genoeg was werd hij nogmaals gekookt, tot de vogelvanger tevreden was met het resultaat.
Het lijmkoken gebeurde buiten in open lucht, op een houtvuurtje tussen drie bakstenen, waarop de lijmketel gezet werd. 't Was een karwei dat stonk gelijk de pest en dus ver genoeg van het woonhuis moest bekokstoofd worden. En er moest bovendien rekening gehouden met de richting van de wind.
…en op het gepaste ogenblik, met een snelle beweging werd de ingestreken breinaald of ijzerdraad tegen het vogeltje gedrukt.
Voor (het reinigen van) zijn kleren gebruikte hij ook (hout)assen, maar zijn hoofd kuiste hij met smout...
Men bestreek de berkentakken met vogellijm, hing er voldoende elzenkatjes aan, en maakte er een kooitje aan met een loksijsje in.
De sijsjes werden ook gevangen met de slagmuit en het treknet, doch dat gebeurde op afstand van de elzenkanten. De slagmuit werd in de boomgaarden opgehangen, en met het net werkte men in de weiden. In beide gevallen bezigde men lokvogeltjes ("roeperkens") om de overvliegende tierijntjes aan te roepen.
(Naar een artikel uit 1980)


Traditioneel werd er ook honing gebruikt, of lijm uit de rijpe bessen van maretak (Viscum album).

De pechvogel was degene die op een met pek ingesmeerde stok terecht kwam. Het gaat (zoals in het Duits) om hetzelfde woord.


‘Wie zangvogels kooit en uitroeit moet later niet komen klagen
dat zijn oogst vernietigd wordt door insecten.’
(Robin Hannelore)


Vier miljoen vogels sterven gruweldood in Spaanse val (Naar een artikeltje van november 2011)

In deze periode begint in Spanje weer de jaarlijkse traditie om lijsters te vangen met lijm. Dat is eigenlijk illegaal, maar er is praktisch geen controle op. De Spanjaarden beweren dat het om een traditie gaat die terug gaat tot de tijd van de Romeinen. De naar schatting vier miljoen vogels sterven een gruwelijke, langzame dood, en eindigen vooral op het menu van tapas-bars.
De vogels worden met MP3 luidsprekers in de (industriële) lijm-vallen gelokt.

Twee op drie vogels zijn niet de beoogde lijsters, maar andere vogels die rond dezelfde tijd migreren zoals roodborstjes, zwartkopjes, tjiftjafs, zwarte roodstaartjes. Ook heel wat al bedreigde uilensoorten komen in de lijmvallen terecht. Verder in Europa beschermde vogels komen zo als hapjes in Spaanse magen terecht.

 (In Spanje lijkt het respect voor dieren (greyhounds, de stierengevechten) nog kleiner dan in de rest van Europa.)

Circa 140 miljoen trekvogels komen ook iedere herfst in vallen van Egyptische vogeljagers terecht om als delicatessen verkocht te worden en belanden op de grill.

Alleen ga je sneller,
 samen kom je verder.


Merkwaardige maretak

De maretak (mistletoe, mistel of vogellijm, Viscum album) is een groenblijvende plant uit de sandelhoutfamilie (Santalaceae). Afwijkend t.a.v. andere planten wortelt hij niet in de grond om omhoog te groeien, maar leeft op bomen, en is niet heliotroop: de bladeren groeien niet naar het zonlicht, maar centrifugaal vanuit de kern van de plant. Wars van richting en zwaartekracht groeit hij haaks op elke plek waar hij zich vasthecht. De blaadjes kennen geen verschil tussen onder- en bovenkant.

maretak2De plant komt voor op bomen op kalkrijke grond (Zuid-Limburg): Canadese populier (Populus X canadensist) (echter nooit op zwarte populier), Acacia (Robinia pseudacacia), hoogstamfruitbomen, vooral appel (Malus sylvestris ssp.domesticus), Eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna), lijsterbessen, eiken en linde (Tillia sp.).
Maretak op een eik is zeer zeldzaam, en precies daarom was die voor de Germanen en de Kelten heilig.

De maretak is een tweehuizige plant en is dus ofwel uitsluitend mannelijk (stuifmeelvormend), ofwel vrouwelijk (stamperdragend). De vrouwelijke planten vormen matte, doorschijnende, witte schijnbessen. Die worden door vogels, vooral lijster, gegeten. De vogels verspreiden de zaden via hun ontlasting of door hun plakkerige bek aan een tak af te vegen. Het kan twee tot drie jaar duren voor het zaad kiemt.

In de eerste levensfase is maretak geen (half)parasiet, maar staat als epifyt zelf in voor de opname van voedingsstoffen (die dan door het blad uit de lucht worden gehaald).
Uit de bes komt een kiem. Die buigt zich naar de tak om zich daar met een hechtschijfje vast te maken. Veel meer gebeurt er het eerste groeiseizoen niet. De rest van het zaad komt los van de tak en komt boven het hechtschijfje te staan.

In de zomer groeit er uit het hechtschijfje een kiemworteltje dat de bast van de boom doorboort. Het dringt de schors binnen tot op het hout en zendt dan naar alle kanten wortels uit die onder de schors lopen. Uit deze ´schorswortels´ groeien later de ´zinkwortels´ of ‘zuigwortels’ die in de jonge houtlaag dringen en hoe langer hoe dieper gaan.
Voor de winter voorbij is moeten de wortels er in slagen om de sapstroom van de gastheer te bereiken. Deze halfparasiet haalt water en zouten is uit zijn gastheer.

In het tweede groeiseizoen vormt maretak slechts één paar blaadjes. Het volgende jaar ontstaan in de gaffel tussen die twee blaadjes twee korte twijgjes, met op hun uiteinde weer twee blaadjes.
Elk jaar groeit weer een nieuwe splitsing uit de vertakking van het jaar ervoor. De plant groeit dus traag en in bolvorm. Ze kan tot 70 jaar oud worden en heeft dan een doorsnede van ongeveer een meter.

In de winter heeft de maretak een gebrek aan water. De gastheer levert het nauwelijks. Daarom zijn de bladeren leerachtig en bestand tegen maandenlang droogte. Een afgesneden tak blijft daarom (zelfs binnenshuis) zeer lang groen.

maretak1De maretak is in zijn geheel een erg giftige plant. De kleverige bessen werden gebruikt om (vogel)lijm te maken die op takken en stokken werd gesmeerd. De methode wordt vaak vermeld, maar een echt lijmrecept heb ik nog nergens gevonden. Maretak van esdoorn (Acer) en iep (Ulmus)zouden een betere lijm leveren.

De bessen zouden verwarmd worden, en gemengd met olie. Om de lijm waterbestendig te maken werd eventueel terpentijd toegevoegd.
Eén auteur meent dat de bessen vergist werden. Mogelijk was het procedé vergelijkbaar met dat voor de vogellijm uit de bast van hulst:

Ze werd in de zomer verzameld, en in 7 tot 12 uur zacht gekookt. De groene buitenkant werd verwijderd, en de resterende massa 2 (à 3) weken in een afgedekt gat vochtig opgeslagen om te gisten (en rotten), en daarna fijngestampt tot een dikke pasta.
Alle resterende houtvezels moeten verpulverd worden. Alle vlokken worden er onder stromend water uitgekneed. Na nogmaals 4 à 5 dagen gisten en afromen wordt de massa boven een vuur ingekookt ( en in sommige regio’s met 1/3de notenolie gemengd).

Een andere vangmethode van de Romeinen, maar ook reeds vroeger (en later) toegepast, bestond uit het plaatsen van met lijm besmeerde papieren puntzakken of kalebas. Vooral in de winter zijn kraaiachtigen hongerig en nieuwsgierig genoeg om hun kop daar in te steken, waarna ze makkelijk kunnen gevangen worden.

(Hulst:)

hulst