Omdat wij mensen zo’n armzalige jagers zijn hebben we al heel lang geleden geprobeerd de hulp van betere jagers in te roepen. Chinezen vissen nog steeds met aalscholvers. Spanjaarden en Arabieren jagen op haas met windhonden. In Azië was ook jacht met de cheeta populair. We hebben otters afgericht om voor ons vis te vangen, fretten om konijnen uit hun pijp te roven, honden om wild op te sporen en te vangen, en roofvogels om prooi te pakken. Deze jachtmethode (sport?) ontstond honderden jaren voor Christus bij nomadische volkeren in Azië.

jachtvogels681x206Rond 400 na Christus bereikte de valkerij het Middellandse zeegebied. Germaanse stammen beoefenden het in de 6de eeuw, en vanaf 875 kent men het in heel West Europa en Engeland.
Valken (Falconidae) waren zo kostbaar dat ze bij onderhandelingen soms als betalingsmiddel werden gebruikt. De waarde van een valk oversteeg vaak zijn gewicht in goud. Het was voor de adel dan ook een echt statussymbool.
De havik en de sperwer waren eerder ‘keukenvogels’ die op de buiten vlees op tafel brachten.
Valkenswaard werd het belangrijkste centrum. Van de 17e tot de 19e eeuw waren Valkenswaardse valkeniers werkzaam aan zowat alle Europese vorstenhoven. Het museum nabij de Markt van Valkenswaard heeft uitgebreide informatie over de valkerij.


Valken vangen

Het heidegebied van Valkenswaard en Leenderstrijp ligt op de trekroute van de stootvogels vanuit Scandinavië naar het zuiden.

Op 50 meter van de tobhut (schuilhut van plaggen) stonden drie palen, de tobroeden.
Op de eerste roede was een houten valk bevestigd, (de dove) die met een lijn kon bewogen worden. Op de tweede roede zat een tamme valk (de zege) en een bos veren die op een prooi moet lijken.
Op de derde roede zat een tamme lokduif.

Op 90 meter van de tobhut stonden vangnetten en een hokje met een tamme duif. En er was een hutje met daarin een tamme klapekster (Lanius excubitor of grauwe klauwier (Lanius collurio)) aan een lijntje. Zij kreeg haar naam omdat ze meteen verklapt of er een vogel in de buurt is (en welke!). Een alarmsignaal voor de vanger dus.

Als er een valk kwam sloeg de klapekster alarm en vluchtte in zijn hutje. De valkenvanger trok aan de lijn en tobde (bewoog) de dove om de wilde valk aan te trekken. Dan werd de tamme valk met de verendot omhooggetrokken. Dat leek voor de wilde valk alsof die een prooi had geslagen.
Als de wilde valk dichter kwam liet de vanger de tamme valk terug in de heide wegzakken, en trok aan de lijn waaraan de duif zat. Het gefladder lokt de valk. Dan trok de vanger de tamme duif uit het hutje. De valk stortte zich op de duif en werd, samen met de duif die hij vastklampt, naar het slagnet getrokken en gevangen.

Na de Franse revolutie nam de populariteit van de valkerij af. Men ging anders jagen door het gebruik van buskruit, grote gebieden werden verkaveld en de adel werd te arm voor deze dure sport. En nog eeuwenlang hebben mensen roofvogels als concurrenten en een gevaar voor hun hoenders gezien en ze afgeschoten en (nesten) uitgeroeid.

Tegenwoordig worden roofvogels ook ingezet ter bestrijding van ongedierte en tegen vogels op vliegvelden, stortplaatsen en in de fruitteelt.

De meeste roofvogels zijn vleeseters met een haaksnavel met scherpe randen.
Valken hebben een tandvormige uitstulping aan de onderrand van de bovensnavel waarmee ze de nek van de prooi breken.
De slechtvalk pakt zijn prooien in de lucht vast of raapt ze van de grond. Het is de snelste roofvogel. In vrije val kan hij een snelheid halen tot 300 km. per uur.
Een havik heeft krachtige poten. De lange nagels dringen diep en dodelijk in de pooi.
Een buizerd slaat zijn tenen om de prooi heen, hij knijpt en verstrikt ze.
Ook de torenvalk kan dat, maar gebruikt ook een stevige beet in de kop van vb. de muis.


Het kweken, houden en gebruiken van (roof)vogels is in Europa door veel wetten (en examens) strikt beperkt en geregeld. Roofvogels zijn géén huisdieren.

De vogels worden in een ruime volière gehouden, en soms ook aan een langveter of ketting buiten gelucht. Vogels waarmee gejaagd wordt laat men alle dagen ook uitvliegen.

De valkenier moet eerst het vertrouwen winnen, zodat de vogel op zijn vuist wil zitten en eten. Dan wordt de vogel getraind, zodat hij een goede conditie krijgt en prooien leert achtervolgen. De valkenier laat de vogel aan een lange lijn vliegen voordat hij los mag vliegen.


Tot de uitrusting van een valkenier horen riempjes, kappen en lokaas.

De huif is een (op maat gemaakte) kap om de valk rustig te houden.
Bellen aan een van de poten (of bij haviken aan de staart) dienen om vrij vliegende vogels te lokaliseren.
De valkeniershandschoen beschermt de hand. Roofvogels kunnen hard knijpen en hun nagels in een onbeschermde hand pinnen.
Roofvogels mogen bij het vrij vliegen niet te zwaar zijn, want dan zijn ze loom en futloos. Ook mogen ze niet te licht zijn want dan zijn ze te zwak om te vliegen. Een goed uitgebalanceerd gewicht is cruciaal. Een weegschaal hoort daarom ook bij de uitrusting.
Schoentjes zijn twee riempjes die bevestigd worden om een poot van de roofvogel. Daaraan kan de langveter bevestigd worden.

Enerzijds is het verbazingwekkend dat mensen er in slagen wilde dieren zo af te richten dat ze gehoorzamen en ten dienste staan. Anderzijds is het triest om zien dat dieren die zoveel ruimte nodig hebben gebonden en gekooid worden.


Met beide voeten op de grond,
kom je geen stap vooruit.