Drainage of ontwatering is het afvoeren van water over en door de grond om het grondwaterpeil te verlagen. In nat weiland of bos werden hiervoor lage greppels (zouwen) gegraven die bij de perceelgrenzen in diepere grachten uitmondden. Tegenwoordig worden hiervoor (machinaal) met kokos omwikkelde geperforeerde buizen ingegraven. Je kan een gracht ook vullen met takkenbossen of grint (met bitumendoek als grondkering eromheen). Het slibt langzaam wel weer dicht. Ook zouwen en grachten moeten om de paar jaar gereinigd of uitgediept worden.

zouwen(Een zouw is breed ondiep, met zeer stompe randen; een flauwe verzinking. Je kan er zelfs in maaien. Er kan door en over gegraasd en gelopen worden zonder te struikelen. Alleen bij veel neerslag staat er wat traag wegvloeiend water in. Het iets hoger gelegen deel blijft dan wel droger en begaanbaar. Ze werden in weilanden en bossen toegepast. Zouw (zoogracht of goot) heeft dezelfde stam als zode (een plag, uitgestoken kluit grasland.) )

Een beemd of broek is het toponiem (veldnaam) om graslandpercelen in een beekdal aan te duiden. In beekvalleien werden zouwen ook gebruikt om te bevloeien en mineralen op het hooiland te brengen. Er was geen kunstmest, en vee bleef overwegend op stal (of werd gehoed). Beken werden afgedamd, en de overloop werd gebruikt om (beurtelings) voedingsstoffen (die door hooien afgevoerd waren) aan te brengen (het ‘wetteren’).