Een vlot kan je maken door drijvend materiaal samen te binden (hout, riet..). Het drijft, maar is niet waterdicht. Het houdt je boven water, maar niet droog.
Je kan een grote kuip of tobbe maken (zie <Kuipen en tonnen>). Die kan het water zowel binnen als buiten houden. Maar een vaartuig wordt makkelijker bestuurbaar en slaat minder snel om met een aangepaste, niet vlakke (en verzwaarde) kiel.

Vlecht van stevige wilgentwijgen een grote platte mand en naai daar huiden tegen. Dan heb je een huidenboot of corracle. Voorzie een stevige zitplaats, zodat je stabiel in het midden kan zitten, zonder de bodem op slechts 1 punt te belasten.

Het woord 'kano' komt van het Portugees/Spaanse woord 'canoa' dat Columbus van de West-Indische Arowakken als benaming voor de daar gebruikte boomstamkano’s zou meegebracht hebben. In 1955 werd in het Nederlandse Pesse een dennenhouten kano gevonden uit 7.000 v.Chr.

boomstamkanoEen boomstamkano wordt overal ter wereld uit één boomstam gemaakt. Een geschikte stam is lang en recht genoeg, met zo weinig mogelijk zijtakken. Hij wordt uitgehold door het binnendeel weg te branden en/of te hakken met stenen of metalen werktuigen, afhankelijk van de ontwikkeling en cultuur. In het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren zie je in de inkomhal een geweldig grote kano waar tot 100 mensen in konden.

Een kajak is een kleine kano die van boven dicht is met een mangat of opening in het midden, waarin de gebruiker met de benen naar voren zit en met een dubbelbladige peddel vaart. Er spat of golft dus weinig of geen water in. Oorspronkelijk werden kajaks gemaakt met een houten geraamte, bespannen met dierenhuiden.
De peddel is een staak met een blad aan ieder uiteinde.

Om een boot te maken die breder is dan een boomstam moet de wand in onderdelen opgebouwd worden. Bij de overnaadse bouwwijze (vooral uit het Noorden (Vikingen)) zullen de planken (huidgangen) elkaar dakpansgewijs overlappen.
De bovenliggende wordt over de onderliggende gang geklonken met koperen of ijzeren draadnagels die als een kram, langs beide kanten worden omgeslagen. Ook een klinknagelvorm werd gebruikt: spijker met kop, aan de binnenkant omgeslagen door een rondel (blenk of ring).

De overnaadse bouw geeft een schip een sterke uitwendige skeletstructuur bij een relatief laag gewicht.

Bij de gladboordige of karveelbouw (vooral Middellandse Zee regio) worden de planken of delen met de zijkant stuitend tegen elkaar geplaatst. Zij werden verjongd (afgeschuind) om een betere naaddichting en een groter bevestigingsoppervlak voor de klinkers te krijgen. De naad werd voor het plaatsen van de aansluitende huidplank al gebreeuwd. In combinatie met gebrande boomteerolie of pek, vloeibaar gemaakt door opwarming, ontstond een goede waterdichte en duurzame romp.

Men gebruikte meestal (vroeger met wiggen gespleten) eikenhouten kwartierse planken. Kwartiers hout is gezaagd (gespleten) met de jaarringen haaks op de breedte van de plank, waardoor het hout weinig "werkt".

Breeuwen is de kieren tussen de planken dichten met uitgeplozen touw van een natuurlijke vezel (meestal hennep) en pek of teer gewonnen uit bomen.
Om de vezels in de kieren te persen worden een (houten) breeuwhamer en breeuwbeitel of -ijzer gebruikt. Daarna volgt afdekking met pek of teer.
Door het opzwellen van natuurlijke vezels als ze vocht opnemen krijg je een waterdichte sluiting.
Het vakmanschap bestaat er in overal evenveel vezels aan te breng onder een matige en gelijkmatige druk. Te weinig materiaal veroorzaakt lekkage, een teveel op één plek zou bij vochtopname zelfs de scheepshuid kunnen ontzetten.
Een synoniem voor breeuwen is kalefat(er)en.

Bij gesinteld mosbreeuwsel werd mos in de kieren gedrukt en met latten of twijgen en ijzeren krammen (sintels) op zijn plaats gehouden. Ook pluimen van lisdodde zijn geschikt dichtingsmateriaal.
Om planken aan elkaar te verbinden gebruikten de Romeinen vele kleine houten dwarsplankjes die over de naden werden ingewerkt en gedeuveld, dus een soort houten spijkers door een houten verbindingsstukje.


Vaartuig: skinheads op zee. (Myriam Thys)
Je was de enige die de schipbreuk overleefde. Hoe kon dat? Ik miste de boot.