Een kast is natuurlijk veel handiger. Maar een korf is al veel makkelijker hanteerbaar dan een holle boom. Vroeger had zowat iedere boer eigen korven. Na de bijen in holle boomstammen waren de eerste korven ‘bisschopsmutsen’ van gevlochten wilgentwijgjes met bovenaan de punt een soort handvat. Het geheel werd besmeerd met koemest en zo gedroogd.

bijenkorfmaken517x431Later werden ze gemaakt van stevig roggestro (of ook van pijpenstrootje of buntgras) en gespleten éénjarige onvertakte uitlopers van de gewone braam (Rubus fruticosus.) Die werd in het najaar geknipt, door een afgeslepen koehoorn gehaald om de doornen er af de ritsen, in drieën of vieren gespleten, waarna de pit er werd afgeschrabd. Het stro werd door een kort buisje of ring gehaald om een streng van gelijke dikte te krijgen.

Een eikenhouten naald wordt gebruikt om een gat te prikken in de voorafgaande stroband, om ze stevig samen te naaien.
Je neemt een bundeltje stro, knijpt het samen tot de dikte van een flinke mannenduim, draait er aan het uiteinde een braambandje een paar maal om en tussendoor, buigt het beginpunt om in een hoek van negentig graden en begint er dan maar het bandje omheen te winden. Let op dat de stroband overal even dik blijft. Wordt hij dunner omdat de halmen niet even lang zijn, dan moet je een nieuwe bundel met omwikkeld eind in de vorige steken.
(Je kan zo ook manden maken.)

De spijlen werden gemaakt van de vuilboom (Rhamnus Frangula).
Eventueel werden hieraan stukjes raat of voorbouw vastgesmolten. Die werden dan in de kop van de korf bevestigd zodat de stukjes raat loodrecht t.o.v. de ingang stonden.

bijenkorvenIn plaats van voorbouw gebruiken sommigen driekantig gesneden spijlen die op afstanden van 3,5 cm worden gestoken, met de scherpe kant naar beneden. Aan deze scherpen kant beginnen de bijen dan met het werken (raat maken).

Voor de oogst werd een volk door klopping uitgejaagd door 2 korven omgekeerd op elkaar te zetten. De onderste korf bevat het uit te jagen volk, de bovenste korf is leeg. Men begon onderaan te kloppen, om langzamerhand, naarmate de bijen naar boven gaan, hoger te kloppen. ‘Dit kloppen moet met beide handen tegelijk voor en achter tegen den korf geschieden, om het stuk slaan van de raat te voorkomen. Wanneer na een kwartier ongeveer de bijen goed aan 't loopen zijn, hetgeen men aan 't ruischen kan hooren, mag de naar den klopper toe gekeerde kant van den bovensten korf wat opgelicht worden, door de krammen aan deze zijde wat te versteken. Door deze opening kan het loopen dan worden waargenomen en kan men af en toe door middel van een weinig rook of een stokje wat meer beweging in de bijenmassa brengen.’


‘Ik had bijna een bijzonder bijberoep: imker.
 Mijn honing had een bijsmaak.’